De rechtbank Rotterdam behandelde een zaak waarin de verdachte werd beschuldigd van het onttrekken van geldbedragen en goodwill aan de failliete boedel van een schoonmaakbedrijf, alsmede van medeplegen van valsheid in geschrift. De feiten betreffen het faillissement van Schoonmaakbedrijf [naam schoonmaakbedrijf 1], waarbij verdachte samen met zijn broer aandeelhouder en bestuurder was.
De officier van justitie vorderde een taakstraf wegens bedrieglijke verkorting van schuldeisers en valsheid in geschrift, onderbouwd met het feit dat facturatie na faillissement via een andere onderneming plaatsvond en dat facturen werden aangepast met logo en bankrekeningnummer van die andere onderneming. De rechtbank stelde vast dat verdachte formeel bestuurder was en belangrijke klantcontacten had.
Echter, de rechtbank oordeelde dat er onvoldoende bewijs was dat verdachte opzettelijk handelde met kennis van een dreigend faillissement of dat hij betrokken was bij de onttrekkingen en valsheid in geschrift. Het dossier bevatte geen aanwijzingen voor opzet, ook niet in voorwaardelijke zin. Daarom sprak de rechtbank verdachte integraal vrij van alle tenlastegelegde feiten.
De uitspraak benadrukt het belang van bewijs van opzet en betrokkenheid bij strafrechtelijke aansprakelijkheid in faillissementsfraudezaken. De verdachte werd niet veroordeeld omdat de bewijsvoering onvoldoende was om schuld vast te stellen.