Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1..De procedure
2..De vordering in de hoofdzaak
3..Het geschil in het incident
4..De beoordeling
In het incident: vrijwaring
5..De beslissing
2 juni 2021voor conclusie van antwoord door [naam gedaagde] .
Rechtbank Rotterdam
In deze civiele procedure staat een koopovereenkomst voor een woning centraal, waarbij eiser in de hoofdzaak stelt dat tussen partijen een overeenkomst is gesloten voor de koop van een woning met een aanbetaling en levering in juli 2021.
In het incident vordert eiser in het incident dat een derde partij in vrijwaring wordt opgeroepen, omdat deze mogelijk aansprakelijk zou zijn indien de veroordeling in de hoofdzaak aan eiser in het incident wordt toegerekend. De rechtbank beoordeelt of deze vordering toewijsbaar is.
De rechtbank oordeelt dat de eiser in het incident onvoldoende heeft toegelicht dat er een rechtsverhouding bestaat tussen hem en de derde die een verplichting tot vrijwaring zou kunnen meebrengen. De enkele stelling dat de derde aansprakelijk zou kunnen zijn is onvoldoende om de vordering te dragen.
Daarnaast wordt het betoog van misbruik van procesrecht door de eiser in het incident verworpen, omdat het instellen van een vrijwaringsincident toegestaan is en niet op voorhand evident was dat de vordering zou worden afgewezen.
De rechtbank wijst de incidentele vordering af en veroordeelt de eiser in het incident in de proceskosten van € 563,00. De hoofdzaak wordt voortgezet met een nieuwe termijn voor conclusie van antwoord.
Uitkomst: De incidentele vordering tot vrijwaring wordt afgewezen en eiser in het incident wordt veroordeeld in de proceskosten.