Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1..Het verloop van de procedure
2..De vaststaande feiten
.
3..Het geschil in conventie
4..Het geschil in reconventie
5..De beoordeling
6..De beslissing
:
Rechtbank Rotterdam
De zaak betreft een executiegeschil tussen [persoon A], eigenaar van een benedenwoning met tuin, en [persoon B], eigenaar van een aangrenzend erf met bedrijfsgebouw en het pad dat als uitrit dient. [Persoon A] heeft een erfdienstbaarheid van uitpad via het pad van [persoon B]. Een verstekvonnis van 16 januari 2019 verbood [persoon B] om het erf van [persoon A] te belemmeren en stelde een dwangsom bij overtreding.
[Persoon A] vordert een verklaring dat hij niet in strijd met het vonnis heeft gehandeld, tenzij overhangende takken hinder veroorzaken, en een beperking van de veroordeling. [Persoon B] vordert vaststelling van het bedrag aan verbeurde dwangsommen wegens niet-naleving van het vonnis.
De rechtbank oordeelt dat de veroordeling niet beperkt kan worden zoals gevorderd door [persoon A], omdat het verstekvonnis de rechtsverhouding definitief heeft vastgesteld. Uit foto’s en een proces-verbaal blijkt dat [persoon A] niet volledig aan het gebod heeft voldaan in de periode juni 2019 tot januari 2020, waardoor hij een deel van de dwangsommen heeft verbeurd. Wel is sprake van misbruik van bevoegdheid door [persoon B] wanneer hij de dwangsom langdurig opeist terwijl het overhangende beperkt en eenvoudig te verwijderen is. Daarom wordt het bedrag aan dwangsommen vastgesteld op € 6.000,-. Proceskosten worden gecompenseerd.
Uitkomst: Eiser heeft € 6.000 aan dwangsommen verbeurd, verzoek tot beperking veroordeling afgewezen, proceskosten gecompenseerd.