Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1..De procedure
- het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 24 april 2021;
- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met bijlagen van de man, ingekomen op 1 september 2020;
- het verweerschrift op het zelfstandig verzoek tevens houdende een zelfstandig verzoek met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 29 september 2020;
- het aanvullende verweerschrift met aanvullende verzoeken met bijlagen van de man, ingekomen op 2 november 2020;
- de brief, inhoudende een aanvullend verzoek met bijlagen van de zijde van de vrouw van 17 februari 2021
- het aanvullende verweerschrift tevens houdende een wijziging van verzoek van de man, ingekomen op 22 februari 2021.
- de vrouw met haar advocaat;
- de man;
- de advocaat van de man (in verband met de coronamaatregelen via een Skypeverbinding).
2..De beoordeling
Inleiding
- elkaar, zoveel als mogelijk is, willen beschermen tegen de risico’s, welke verbonden zijn aan het drijven van een onderneming,
- aansprakelijkheid voor elkaars schulden respectievelijk verhaal van (eventuele) schuldeisers van de ene echtgenoot op vermogen van de andere echtgenoot gedurende het huwelijk zoveel mogelijk willen uitsluiten;
- ieder hun eigen vermogen wensen te behouden, indien het huwelijk eindigt
Indien de door de echtgenoten gezamenlijk te gaan bewonen respectievelijk bewoonde hetzij woning volledig in eigendom toebehoort aanéén van de echtgenoten, hetzij (…), zal (…) voor hetgeheelvoor rekening komen van die echtgenoot, die eigenaar is van de woning:
de rente ter zake van bedoelde lening, aflossing van geldleningen aangegaan ten behoeve van (de financiering van) bedoelde woning, waardoor derhalvegeenvergoedingsrecht ontstaat als bedoeld in artikel 4 van Pro de onderhavige huwelijkse voorwaarden;
de kosten van alle gewone lasten en herstellingen, als bedoeld in artikel 3:220 Burgerlijk Pro Wetboek, alsmede de kosten van alle buitengewone herstellingen (…),
het gebruikersgedeelte en het eigenaarsgedeelte van de zakelijke belastingen betreffende bedoelde woning, en
de premie voor de opstalverzekering.
- te bepalen dat de man aan haar is verschuldigd een bedrag van € 53.523,53;
- te bepalen dat de man aan haar dient te voldoen als vergoeding voor het gebruik van de woning in Frankrijk met ingang van 5 december 2019 een bedrag van € 650,- per maand totdat hij de woning definitief heeft verlaten.
- de vrouw te veroordelen om binnen 48 uur na het geven van de beschikking aan hem te voldoen een bedrag van € 8.881,50 ter zake door hem uitgevoerde werkzaamheden aan de woning in Dordrecht, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 september 2020 tot aan de dag der algehele voldoening;
- primair met betrekking tot de woning in Frankrijk toebedeling van de woning aan hem tegen betaling van € 24.200,-, welk bedrag wordt verrekend met een door de vrouw aan de man te betalen bedrag van € 28.598,58, waarbij de vrouw wordt veroordeeld tot betaling van een restantbedrag van € 4.398,54 aan de man binnen 48 uur na het geven van de beschikking
- subsidiair, voor zover de rechtbank tot het oordeel komt dat de woning in Frankrijk in de verhouding met de vrouw geen gemeenschappelijk eigendom is, de vrouw te veroordelen tot betaling aan de man binnen 48 uur na het geven van de beschikking van een bedrag van € 24.200,- ter zake de inbreng van de man in de aankoopsom van de woning en een bedrag van € 68.220,50 voor uitgevoerde werkzaamheden en betaalde eigenaarslasten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 september 2020 tot aan de dag der algehele voldoening.
‘Ongeacht de woonplaats van partijen zijn bij uitsluiting bevoegd:
voor zakelijke rechten op en huur en verhuur, pacht en verpachting van onroerende goederen: de gerechten van de lidstaat waar het onroerend goed gelegen is. (…)’
€ 8.881,50 ter zake door hem uitgevoerde renovatiewerkzaamheden aan haar woning in Dordrecht. Het bedrag is opgebouwd uit € 8.330,- aan arbeidsloon en € 551,50 aan materiaal.
Ten slotte voert de man aan dat hem op grond van de redelijkheid en billijkheid een vergoeding moet worden toegekend voor de door hem verrichte arbeid. De rechtbank overweegt dat echtgenoten elkaar op grond van artikel 1:81 BW Pro getrouwheid, hulp en bijstand zijn verschuldigd. Zij zijn verplicht elkaar het nodige te verschaffen. De vrouw heeft hierop ook vertrouwd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de door de man verrichte arbeid in dit kader moet worden gezien, waarbij geen plaats is voor het betalen van een vergoeding.
De rechtbank zal het verzoek van de man, voor zover dit ziet op de kosten van door hem verrichte arbeid, dan ook afwijzen.