Eiser werd op 7 april 2020 onterecht aangehouden en gedetineerd door de Koninklijke Marechaussee. De Staat erkende de onrechtmatigheid en aansprakelijkheid voor schadevergoeding. Eiser vorderde vergoeding voor materiële schade, immateriële schade en kosten van rechtsbijstand.
De rechtbank stelde vast dat eiser recht heeft op vergoeding van materiële schade van €50,- en matigde de immateriële schadevergoeding tot €105,-, omdat eiser onvoldoende concrete nadelige gevolgen had onderbouwd. De kosten van rechtsbijstand op 7 april 2020 werden deels toegewezen en gematigd tot een normaal uurtarief, terwijl kosten na 7 april deels werden afgewezen of beperkt.
De rechtbank wees de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten af wegens onvoldoende rechtvaardiging. De Staat werd veroordeeld tot betaling van een totaalbedrag van €2.362,04 plus wettelijke rente, proceskosten en nakosten. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.