De rechtbank Rotterdam behandelde het verzoek van de vader om samen met de moeder het gezag over hun minderjarige kind gezamenlijk uit te oefenen. De moeder stemde hier niet mee in vanwege gebrek aan vertrouwen in de vader en eerdere problemen met omgangsafspraken. De rechtbank oordeelde echter dat er geen onaanvaardbaar risico bestond dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en dat afwijzing niet in het belang van het kind was.
De ouders hadden tijdens de zitting afspraken gemaakt over het herstel van het contact tussen vader en kind, inclusief een mediationtraject om de communicatie te verbeteren. De rechtbank nam deze afspraken over en stelde een zorgregeling vast waarbij het kind geleidelijk aan het weekendverblijf bij de vader went, met een einddoel van een weekend per veertien dagen en de helft van de schoolvakanties en feestdagen.
Daarnaast legde de rechtbank vast dat de vader een maandelijkse kinderbijdrage van €80 aan de moeder betaalt. Proceskosten worden door beide ouders zelf gedragen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en er staat hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag.