Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1..Het verloop van de procedure
2..De vaststaande feiten
3..Het geschil
4..De beoordeling
5..De beslissing
:
Rechtbank Rotterdam
ING Bank en gedaagde sloten in 2006 een kredietovereenkomst met een limiet van €25.000. Na het niet nakomen van betalingsverplichtingen zegde ING de overeenkomst in 2009 op. Gedaagde werd in 2009 failliet verklaard, waarna het faillissement in 2012 werd opgeheven wegens gebrek aan baten.
ING vordert betaling van €25.000 plus wettelijke rente van gedaagde. Gedaagde betwist de vordering niet inhoudelijk maar beroept zich op verjaring van de vordering. De rechtbank stelt vast dat de verjaring is gestuit door de indiening van de vordering bij de curator in 2009 en door erkenning van de schuld en betalingsregelingen in 2014 en de daaropvolgende jaren.
Omdat de verjaring niet heeft geleid tot verval van de vordering, wijst de rechtbank de vordering van ING toe. De wettelijke rente wordt toegewezen vanaf de dagvaarding. Gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten. Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.
Uitkomst: De vordering van ING Bank tot betaling van €25.000 wordt toegewezen omdat de verjaring tijdig is gestuit.