Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
statutair gevestigd te Rotterdam,
Rechtbank Rotterdam
Op 22 februari 2021 is een verzoek tot faillietverklaring van een stichting ingediend door vijf schuldeisers, waaronder huurders en werknemers die onbetaald salaris hebben ontvangen. De stichting verzocht om aanhouding van het faillissementsverzoek op grond van de Tijdelijke Wet COVID-19, stellende dat zij door de pandemie tijdelijk niet kon voldoen aan haar betalingsverplichtingen.
De rechtbank heeft het aanhoudingsverzoek getoetst aan de voorwaarden van artikel 2.2 van de Tijdelijke Wet COVID-19. Uit de overgelegde stukken en tijdens de zittingen bleek niet dat de stichting uitsluitend of hoofdzakelijk door COVID-19 haar onderneming niet zoals gebruikelijk kon voortzetten. Er was onvoldoende aannemelijk gemaakt dat sprake was van een omzetdaling van ten minste 20% door de pandemie. De stichting kon de omzetdaling ook niet voldoende onderbouwen en verwees naar andere oorzaken, zoals geschillen met contractspartijen.
Daarnaast bood de stichting onvoldoende garantie dat zij na de aanhoudingsperiode haar schuldeisers zou kunnen voldoen. Verzoekers betwistten de stellingen over toekomstige inkomsten en wezen op oplopende achterstanden. De rechtbank concludeerde dat niet aan de voorwaarden voor aanhouding was voldaan en wees het verzoek af.
Vervolgens stelde de rechtbank vast dat de stichting meerdere opeisbare schulden had en deze niet betaalde, waarmee zij in staat van faillissement verkeerde. Het faillissement werd uitgesproken, een curator benoemd en rechter-commissarissen aangewezen.
Uitkomst: Het verzoek tot aanhouding van het faillissementsverzoek wordt afgewezen en de stichting wordt failliet verklaard.