ECLI:NL:RBROT:2021:3782

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
18 maart 2021
Publicatiedatum
29 april 2021
Zaaknummer
21/22
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 284 FaillissementswetArt. 285 Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot toelating tot wettelijke schuldsaneringsregeling wegens gebrek aan goede trouw en onvoldoende inspanning

Verzoekster diende op 7 januari 2021 een verzoek in tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling. Tijdens de zitting op 11 maart 2021 werd zij gehoord. Verzoekster ontvangt een Participatiewet-uitkering en heeft een schuldenlast van bijna €88.000.

De rechtbank beoordeelt of verzoekster te goeder trouw is geweest bij het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek en of zij zich zal inspannen om de verplichtingen uit de regeling na te komen. De rechtbank oordeelt dat verzoekster niet te goeder trouw is omdat zij een schuld aan de gemeente Rotterdam heeft van ruim €2.600 die is ontstaan doordat zij onterecht een uitkering ontving en dit niet heeft gemeld. Ook heeft zij het bedrag niet gereserveerd voor terugbetaling.

Verder heeft verzoekster geen bewijs geleverd van sollicitatie-inspanningen ondanks een uitdrukkelijk verzoek daartoe. Zij gaf aan niet te solliciteren omdat zij een passende baan wil. Daarnaast verklaarde zij langdurig vastgezeten te hebben voor drugssmokkel, wat zorgelijk wordt geacht. Hoewel verzoekster sinds augustus 2020 budgetbeheer heeft en hulp zoekt, acht de rechtbank deze ontwikkelingen onvoldoende om toelating tot de regeling te rechtvaardigen.

De rechtbank wijst het verzoek daarom af, met het oog op de ernst en omvang van de schulden en het ontbreken van goede trouw en voldoende inspanning. De uitspraak is gedaan door rechter Prenger op 18 maart 2021. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open.

Uitkomst: Het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens gebrek aan goede trouw en onvoldoende inspanning.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
afwijzing toepassing schuldsaneringsregeling
rekestnummer: [nummer]
uitspraakdatum: 18 maart 2021
[naam],
[adres]
[woonplaats] ,
verzoekster.

1..De procedure

Verzoekster heeft op 7 januari 2021 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Verzoekster is gehoord ter terechtzitting van 11 maart 2021.

2..De feiten

Verzoekster ontvangt inkomsten uit Participatiewet-uitkering. De schuldenlast bedraagt volgens de verklaring als bedoeld in artikel 285 Faillissementswet Pro €87.971,95.

3..De beoordeling

Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt slechts toegewezen als voldoende aannemelijk is dat verzoekster ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van haar schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest en dat zij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. De rechtbank oordeelt dat het één noch het ander in het voorliggende geval aannemelijk is.
De goede trouw is een gedragsmaatstaf waaraan een verzoeker dient te voldoen. Bij de beoordeling daarvan kan de rechter rekening houden met alle omstandigheden, zoals de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de verzoeker kan worden verweten dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten, het gedrag van verzoeker voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door de schuldeisers juist te frustreren en dergelijke.
Op de schuldenlijst van verzoekster staat een schuld aan de gemeente Rotterdam van in totaal €2.695,43,-. Volgens verzoekster is deze schuld ontstaan omdat zij in de periode van 2019 een uitkering heeft ontvangen terwijl zij daar geen recht op had. Naar het oordeel van de rechtbank is het de verantwoordelijkheid van verzoekster om er voor zorg te dragen dat de uitkeringsinstantie juist en volledig is geïnformeerd. Verzoekster heeft dit niet gedaan. Dit valt verzoekster te verwijten. Voorts valt het verzoekster te verwijten dat het bedrag waarop geen recht bestond na ontvangst niet is gereserveerd zodat dit terugbetaald had kunnen worden. Aldus is deze schuld niet te goeder trouw ontstaan althans onbetaald gelaten.
Daarnaast moet voldoende aannemelijk zijn dat verzoekster de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. De rechtbank oordeelt dat dit in het voorliggende geval niet aannemelijk is. Verzoekster heeft immers, ondanks het uitdrukkelijk verzoek daartoe in de bijlage bij de oproepingsbrief voor de mondelinge behandeling van haar verzoek, geen sollicitaties overgelegd. Zij heeft aangegeven de afgelopen twee maanden ook niet gesolliciteerd te hebben omdat zij een baan wil die bij haar past. Met deze opstelling heeft de rechtbank niet de overtuiging verkregen dat verzoekster zich binnen de schuldsaneringsregeling maximaal zal inspannen om een voltijds betaalde baan te vinden om zo veel mogelijk af te lossen ten behoeve van haar schuldeisers.
Ter terechtzitting heeft verzoekster voorts verklaard dat zij in de periode van 2017 tot 2019 langdurig vast heeft gezeten voor drugssmokkel. Dit zijn serieuze strafbare feiten, waartoe verzoekster naar eigen zeggen is bewogen om financiële redenen. Het feit dat verzoekster de oplossing voor haar financiële problemen in die richting heeft gezocht, acht de rechtbank zorgelijk. Het feit dat verzoekster gedetineerd heeft gezeten, heeft volgens verzoekster niet rechtstreeks tot nieuwe schulden geleid. Verzoekster heeft gedurende die periode echter ook niet kunnen aflossen op haar schulden. Na haar detentie zijn er bovendien nieuwe schulden ontstaan, omdat het enige tijd duurde voordat verzoekster het persoonlijke en financiële situatie voldoende op orde had.
De rechtbank merkt op dat het een goede ontwikkeling is dat verzoekster sinds 3 augustus 2020 budgetbeheer heeft en hulp zoekt voor haar schulden. Verzoekster is aldus op de goede weg. Deze ontwikkelingen hebben zich echter pas recent voorgedaan. Al het voorgaande in aanmerking genomen, en mede met het oog op de ernst en de totale hoogte van de schulden die naar het oordeel van de rechtbank niet te goeder trouw zijn ontstaan, althans onbetaald zijn gebleven, oordeelt de rechtbank echter dat deze ontwikkelingen onvoldoende (althans onvoldoende bestendig van aard) zijn om een toelating tot de schuldsaneringsregeling op dit moment te rechtvaardigen. Indien het leven van verzoekster zich (verder) stabiliseert zal een volgend verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling mogelijk meer kans van slagen hebben.
Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal daarom worden afgewezen.
Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat dit niet betekent dat er geen andere feiten of omstandigheden zijn die eveneens tot afwijzing van het verzoek dienen te leiden.

4..De beslissing

De rechtbank:
- wijst het verzoek af.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.G.E. Prenger, rechter, en in aanwezigheid van A. Woodbleach, griffier, in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2021. [1]