ECLI:NL:RBROT:2021:3782
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot toelating tot wettelijke schuldsaneringsregeling wegens gebrek aan goede trouw en onvoldoende inspanning
Verzoekster diende op 7 januari 2021 een verzoek in tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling. Tijdens de zitting op 11 maart 2021 werd zij gehoord. Verzoekster ontvangt een Participatiewet-uitkering en heeft een schuldenlast van bijna €88.000.
De rechtbank beoordeelt of verzoekster te goeder trouw is geweest bij het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek en of zij zich zal inspannen om de verplichtingen uit de regeling na te komen. De rechtbank oordeelt dat verzoekster niet te goeder trouw is omdat zij een schuld aan de gemeente Rotterdam heeft van ruim €2.600 die is ontstaan doordat zij onterecht een uitkering ontving en dit niet heeft gemeld. Ook heeft zij het bedrag niet gereserveerd voor terugbetaling.
Verder heeft verzoekster geen bewijs geleverd van sollicitatie-inspanningen ondanks een uitdrukkelijk verzoek daartoe. Zij gaf aan niet te solliciteren omdat zij een passende baan wil. Daarnaast verklaarde zij langdurig vastgezeten te hebben voor drugssmokkel, wat zorgelijk wordt geacht. Hoewel verzoekster sinds augustus 2020 budgetbeheer heeft en hulp zoekt, acht de rechtbank deze ontwikkelingen onvoldoende om toelating tot de regeling te rechtvaardigen.
De rechtbank wijst het verzoek daarom af, met het oog op de ernst en omvang van de schulden en het ontbreken van goede trouw en voldoende inspanning. De uitspraak is gedaan door rechter Prenger op 18 maart 2021. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open.
Uitkomst: Het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens gebrek aan goede trouw en onvoldoende inspanning.