Op 14 februari 2019 vond een woninginbraak plaats waarbij diverse goederen werden weggenomen. De verdachte werd ervan verdacht samen met een medeverdachte deze inbraak te hebben gepleegd. Het bewijs bestond voornamelijk uit herkenningen door twee verbalisanten van de verdachte en zijn medeverdachte op camerabeelden van de portiek van het flatgebouw waar de woning zich bevindt.
Tijdens de terechtzitting op 14 april 2021 heeft de rechtbank de camerabeelden bekeken. Deze beelden waren echter onscherp en toonden slechts korte fragmenten van de personen, waarbij het gezicht van de verdachte slechts gedeeltelijk zichtbaar was vanwege een jas met capuchon en een pet. Hierdoor achtte de rechtbank de herkenningen onvoldoende betrouwbaar.
De officier van justitie had een gevangenisstraf van zeven maanden geëist, waarvan één maand voorwaardelijk, en een schadevergoeding van €6.495,60. De rechtbank oordeelde echter dat het ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend bewezen was en sprak de verdachte vrij. De jongste rechter kon het vonnis niet medeondertekenen.