Eiseres keerde in juli 2019 terug uit Portugal en huurde sindsdien een onzelfstandige woonruimte bij een kennis in Zwijndrecht. Zij vroeg op 9 maart 2020 een voorrangsverklaring aan, maar deze werd afgewezen omdat zij op het moment van aanvraag inwoonde en geen zelfstandige woonruimte bezat, wat volgens de Huisvestingsverordening Zwijndrecht 2019 uitsluiting van de regeling betekent.
Eiseres voerde aan dat zij vanwege bijzondere omstandigheden, waaronder een medische en sociale indicatie, en haar verblijf in een daklozenopvang, aanspraak maakte op een voorrangsverklaring en dat de hardheidsclausule toegepast moest worden. De gemeente handhaafde de afwijzing, stellende dat de situatie het gevolg was van eigen keuzes en dat het woningtekort een restrictief beleid rechtvaardigt.
De rechtbank oordeelde dat de hardheidsclausule terecht niet werd toegepast omdat eiseres bewust terugkeerde naar een regio met woningnood zonder zelfstandige woonruimte. De afwijzing van de aanvraag was daarmee rechtmatig. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees erop dat eiseres een nieuwe aanvraag kan indienen op basis van haar gewijzigde woonsituatie.