Ter adstructie van het wrakingsverzoek heeft verzoeker het volgende aangevoerd - verkort en zakelijk weergegeven - :
2.1.1
Ter zitting van 22 maart 2021 is de gemachtigde van verzoeker door de rechter via een telefoonverbinding gehoord. De vertegenwoordigers van verweerder waren fysiek ter zitting aanwezig.
2.1.2
De gemachtigde van verzoeker heeft ter zitting alle feiten, die reeds waren genoemd in de stukken van verweerder, in de context willen plaatsen. Verzoeker is ook gerechtigd om ter zitting op alle stukken van verweerder een reactie te geven en die reactie moet in de overwegingen van de rechter worden meegewogen. Verzoeker heeft niet eerder dan op zitting op het verweerschrift kunnen reageren, omdat het verweer ten tijde van het opstellen van het beroepschrift nog niet bestond.
2.1.3
De gemachtigde van verzoeker was ter zitting doende in tweede termijn, toen hij door de rechter werd onderbroken. Uit wat de rechter toen zei, maakte de gemachtigde op dat hij moest afronden. Toen de gemachtigde verder ging met zijn verhaal, werd hij onderbroken door een schreeuwende rechter. De rechter zegt in zijn schriftelijke reactie dat hij met stemverheffing heeft gesproken. Verzoeker vond dat de rechter schreeuwde; intimiderend hard.
2.1.4
Ter zitting heeft de rechter meegedeeld dat hetgeen de gemachtigde van verzoeker op zitting heeft verklaard niet in het beroepschrift was genoemd, te laat was aangevoerd en niet, althans niet volledig in de uitspraak op het beroep zal worden meegewogen en derhalve kennelijk terzijde wordt geschoven.
2.1.5
De rechter heeft ter zitting meegedeeld dat verzoeker een tegencalculatie had moeten maken. Verweerder heeft nagelaten een volledige matrix van de drie referentieobjecten, die in de beslissing op het bezwaar worden genoemd, in de procedure te brengen. De rechter ging daar geheel aan voorbij en heeft daar ter zitting geen enkele vraag over gesteld aan verweerder. Een en ander is geheel tegen de zienswijze van de Hoge Raad, zoals neergelegd in zijn arrest met kenmerk ECLI:NL:2018:1316. De rechter heeft aan verweerder geen nadere inlichtingen gevraagd omtrent niet juiste objectkenmerken en heeft verweerder niet gewezen op het genoemde arrest van de Hoge Raad.
2.1.6
De rechter heeft verzoeker niet eerder dan aan het einde van de zitting meegedeeld dat er vier griffiers in opleiding in de zittingszaal aanwezig waren. De rechter heeft dat kennelijk wel aan de vertegenwoordigers van verweerder meegedeeld, die bovendien fysiek ter zitting aanwezig waren en deze griffiers konden zien. Kennelijk heeft de rechter tegenover deze griffiers in opleiding een voorbeeld willen stellen.
2.1.7
Op grond van al deze omstandigheden is volgens verzoeker niet langer sprake van onpartijdigheid van de rechter. Verzoeker heeft niet langer het vertrouwen dat zijn beroep onpartijdig zal worden behandeld.
2.2
De rechter heeft niet in de wraking berust.
De rechter bestrijdt deels de feitelijke grondslag van het verzoek en heeft overigens te kennen gegeven dat niet sprake is van een omstandigheid die grond tot wraking kan opleveren. Daarbij is – verkort en zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd:
2.2.1
De zaak betreft de bepaling van de WOZ-waarde door de heffingsambtenaar van de gemeente [naam gemeente] (de gemeente) van het huis van verzoeker.
In overleg met de gemachtigde van verzoeker is voorafgaand aan de zitting besloten dat de gemachtigde telefonisch aan de zitting zou deelnemen. De gemachtigde heeft daarmee ingestemd. Verzoeker zelf was bij de zitting niet aanwezig.
2.2.2
De gemachtigde heeft ruim gelegenheid gekregen om zijn standpunt toe te lichten. Op het moment van de wraking was de zitting nog niet afgerond. In de laatste minuten van de zitting vóór het wrakingsverzoek was de gemachtigde reeds enige tijd aan het woord, voor de tweede maal. De rechter heeft de gemachtigde gevraagd om af te ronden en wilde gaan uiteenzetten hoe hij het verdere verloop van de zitting had gedacht. De gemachtigde onderbrak de rechter en deze heeft de gemachtigde toen direct gevraagd hem niet te onderbreken. Toen de gemachtigde de rechter onmiddellijk weer onderbrak, heeft de rechter dat verzoek herhaald, met luide stem. De rechter meent dat hij daarbij niet heeft geschreeuwd.
2.2.3
In het bestuursrecht worden gronden in beroep voor het eerst aangevoerd ter zitting meegenomen, tenzij de goede procesorde daaraan in de weg staat. De rechter wilde op een rij zetten of en zo ja welke gronden/argumenten de gemachtigde ter zitting naar voren had gebracht die niet (of minder uitgewerkt) in zijn beroepschrift waren opgenomen. De rechter leidde dat in met de mededeling dat hij ter zitting nieuwe gronden voor het beroep had gehoord.
2.2.4
Het was ook de rechtbank in de voorbereiding voor de zitting opgevallen, dat de gemeente in bezwaar een ander uitgangspunt hanteerde dan in haar verweerschrift. Daarover heeft de rechter ook een vraag gesteld. Of de onderbouwing van verweerder voldoende is, wordt door de rechtbank na de zitting bij de voorbereiding van de uitspraak beoordeeld. Wat verweerder niet in zijn taxatierapport en verweerschrift stopt, zit er niet in. De gemeente krijgt ter zitting de gelegenheid om haar verweerschrift aan te vullen of te corrigeren naar aanleiding van het betoog van eiser ter zitting. Als dat onvoldoende is, wordt de gemeente in het ongelijk gesteld. De rechter vermag niet in te zien hoe verzoeker uit het feit dat de rechter bepaalde zaken niet expliciet aan de gemeente zou hebben gevraagd afleidt dat de rechter de gemeente op die punten in het gelijk zal stellen.
2.2.5
De rechter heeft zijn verzuim om uitdrukkelijk te vermelden dat er ter zitting vier collega’s aanwezig waren goed gemaakt, zodra hij zich dat verzuim realiseerde. Het gaat om beëdigde griffiers en toestemming van partijen voor hun aanwezigheid is niet vereist. Het verzuim ontstond doordat de aanwezigheid van de collega’s voor de fysiek aanwezigen duidelijk was en de rechter bij de aanvang van de zitting onvoldoende tot zich heeft laten doordringen dat dat niet gold voor verzoeker, die via een telefoonverbinding deelnam aan de zitting.