ECLI:NL:RBROT:2021:4098
Rechtbank Rotterdam
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek na eindvonnis wegens kennelijke niet-ontvankelijkheid
In de civielrechtelijke procedure tussen eiseres en verzoeker heeft rechter Rapmund op 5 februari 2021 een rolbeslissing genomen. Verzoeker diende op 10 februari 2021 een eerste wrakingsverzoek in, dat op 24 februari 2021 werd afgewezen met de bepaling dat een volgend wrakingsverzoek niet in behandeling wordt genomen.
Na een vonnis van de rechter op 19 maart 2021, waarmee de zaak werd afgesloten, diende verzoeker op 24 maart 2021 een derde wrakingsverzoek in. De rechtbank oordeelt dat wraking slechts kan worden ingesteld zolang de rechter nog bij de behandeling van de zaak betrokken is. Omdat het verzoek na het eindvonnis is ingediend, is verzoeker kennelijk niet-ontvankelijk.
Daarnaast is het verzoek reeds eerder afgewezen en is bepaald dat nieuwe verzoeken niet in behandeling worden genomen. Daarom wijst de rechtbank het verzoek zonder inhoudelijke behandeling af wegens kennelijke niet-ontvankelijkheid.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek is afgewezen wegens kennelijke niet-ontvankelijkheid omdat het na het eindvonnis is ingediend en een eerder verzoek reeds was afgewezen.