ECLI:NL:RBROT:2021:4174

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
4 mei 2021
Publicatiedatum
10 mei 2021
Zaaknummer
10-965081-18
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek opheffing uitleveringsdetentie en toewijzing schorsing wegens niet-onherroepelijk arrest uitleveringsverbod

De opgeëiste persoon verzocht primair om opheffing en subsidiair om schorsing van zijn uitleveringsdetentie, nadat het gerechtshof Den Haag in hoger beroep de uitlevering aan de Verenigde Staten had verboden. De rechtbank Rotterdam oordeelde dat het arrest van het hof nog niet onherroepelijk is, omdat tegen dit arrest cassatieberoep is ingesteld bij de Hoge Raad.

De rechtbank overwoog dat de uitlevering in eerste aanleg toelaatbaar was verklaard en dat het belang van de Staat om aan zijn verdragsrechtelijke verplichtingen te voldoen zwaarwegend is. Daarom achtte de rechtbank opheffing van de uitleveringsdetentie niet aan de orde, maar vond zij schorsing passend onder voorwaarden om te voorkomen dat uitlevering onmogelijk wordt als het cassatieberoep wordt verworpen.

De opgeëiste persoon heeft toegezegd zich aan de voorwaarden te houden, waaronder het inleveren van zijn paspoort en regelmatige meldingen bij de politie. De rechtbank wees het verzoek tot opheffing af, maar kende de schorsing toe onder de eerder geldende voorwaarden.

Uitkomst: Verzoek tot opheffing van uitleveringsdetentie afgewezen, maar uitleveringsdetentie geschorst onder voorwaarden zolang het arrest niet onherroepelijk is.

Uitspraak

BESLISSING OP VERZOEK OPHEFFING/SCHORSING UITLEVERINGSDETENTIE
De rechtbank Rotterdam, raadkamer, heeft gezien het verzoekschrift gedateerd 24 maart 2021 van de opgeëiste persoon
parketnummer: 10-965081-18
rk nr: 21/890
[naam opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ( [geboorteland] )
wonende te [postcode] [woonplaats] , [adres] ,
dat primair strekt tot opheffing en subsidiair tot schorsing van de uitleveringsdetentie van de opgeëiste persoon.

Procesverloop

Tegen de opgeëiste persoon heeft de rechtbank een bevel tot gevangenhouding verleend, waarvan de geldigheidsduur laatstelijk is verlengd op 9 maart 2021.
Bij beslissing van 5 juli 2019 heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank het verzoek om uitlevering aan de Verenigde Staten deels toelaatbaar verklaard. De Hoge Raad heeft het cassatieberoep tegen deze beslissing op 7 april 2020 afgewezen.
De Minister van Justitie en Veiligheid heeft op 26 mei 2020 beslist omtrent de toelaatbaarheid van de uitlevering en heeft deze (deels) toegestaan.
Tegen deze beslissing is de opgeëiste persoon opgekomen in kort geding. Bij vonnis van 22 september 2020 heeft de rechtbank Den Haag de vordering van de opgeëiste persoon afgewezen en beslist dat de uitlevering niet strijdig is met de maatschappelijke zorgvuldigheid die de Staat in acht dient te nemen en evenmin anderszins onrechtmatig.
Tegen dit vonnis heeft de opgeëiste persoon hoger beroep ingesteld. Bij arrest van 23 maart 2021 heeft het gerechtshof Den Haag, rechtdoende in hoger beroep, voornoemd vonnis vernietigd en de Staat verboden de opgeëiste persoon uit te leveren aan de Verenigde Staten.
Naar aanleiding van voornoemd arrest heeft de officier van justitie de opgeëiste persoon in vrijheid gesteld. Zijn paspoort, dat hij op grond van de voorwaarden van een eerdere schorsing van de uitleveringsdetentie had ingeleverd bij de politie, is nog niet aan hem teruggegeven.
De beroepstermijn van voornoemd arrest is nog niet verlopen. Naar de officier van justitie in raadkamer heeft medegedeeld, is aan de landsadvocaat opdracht verleend om tegen het arrest beroep in cassatie in te stellen bij de Hoge Raad.
De rechtbank heeft, nadat een eerdere behandeling geen doorgang had gevonden wegens afwezigheid van een tolk, op 4 mei 2021 in raadkamer gehoord de officier van justitie en de opgeëiste persoon en diens raadsvrouw mr. T.M.D. Buruma, advocaat te Amsterdam.

Verzoek en vordering

De opgeëiste persoon verzoekt primair opheffing van zijn uitleveringsdetentie, omdat de rechter in hoger beroep de uitlevering verboden heeft en deze vermoedelijk ook niet meer zal plaatsvinden. Subsidiair heeft de opgeëiste persoon, die op het moment van indiening van zijn verzoekschrift feitelijk nog niet in vrijheid was gesteld, verzocht om zijn uitleveringsdetentie opnieuw te schorsen; de raadsvrouw is daarop bij de behandeling in raadkamer niet meer teruggekomen.
De officier van justitie heeft in raadkamer gevorderd dat de rechtbank de uitleveringsdetentie opnieuw zal schorsen onder de eerder opgelegde voorwaarden. Hij heeft daartoe aangevoerd dat zeker niet denkbeeldig is dat de Hoge Raad het arrest van het gerechtshof zal vernietigen en de uitlevering alsnog zal worden toegestaan.

Beoordeling

De rechtbank acht geen termen aanwezig om de uitleveringsdetentie op te heffen. De rechtbank heeft de uitlevering toelaatbaar geacht; deze uitspraak is inmiddels onherroepelijk. Het arrest van het gerechtshof waarbij de uitlevering is verboden is daarentegen niet onherroepelijk. Reeds gelet op het feit dat de rechtbank, oordelend in eerste aanleg, het gevraagde verbod op uitlevering eerder niet heeft verleend acht de rechtbank vernietiging in cassatie van ’s hofs arrest niet volstrekt onwaarschijnlijk. Het belang dat de Staat zijn verdragsrechtelijke verplichtingen nakomt, is van het grootste gewicht. Voorkomen dient daarom te worden dat de uitlevering van de opgeëiste persoon, mocht deze uiteindelijk worden toegestaan, onmogelijk wordt gemaakt.
Hetgeen namens de opgeëiste persoon hiertegen is aangevoerd kan aan dit oordeel niet afdoen. De omstandigheid dat de opgeëiste persoon als gevolg van de reisbeperkingen ten gevolge van de coronapandemie geen bezoek van zijn familie kan ontvangen is een vervelende bijkomstigheid die hij deelt met talloze andere hier te lande verblijvende buitenlanders en die niet het gevolg is van de uitleveringsdetentie. Dat als gevolg van de wijze waarop het hof heeft beslist in geval van vernietiging door de Hoge Raad een nieuw onderzoek in feitelijke instantie nodig zal zijn, hetgeen mogelijk geruime tijd in beslag zal nemen, is naar het oordeel van de rechtbank evenmin een steekhoudend bezwaar.
De rechtbank zal de thans feitelijk bestaande toestand formaliseren in die zin dat zij de uitleveringsdetentie van de opgeëiste persoon opnieuw zal schorsen onder dezelfde voorwaarden als bij eerdere beschikkingen aan schorsing verbonden waren, en die hieronder worden genoemd. De opgeëiste persoon heeft bij monde van zijn raadsvrouw toegezegd zich daaraan te zullen houden.

Beslissing

De rechtbank:
wijst af het verzoek tot opheffing van de uitleveringsdetentie;
wijst toe de vordering en het verzoek tot schorsing van de uitleveringsdetentie onder de navolgende voorwaarden:
dat de opgeëiste persoon, indien opheffing van de schorsing mocht worden bevolen, zich niet aan de tenuitvoerlegging van dat bevel zal onttrekken;
dat de opgeëiste persoon zijn paspoort zal inleveren bij de officier van justitie;
dat de opgeëiste persoon zich eenmaal per twee weken zal melden op een politiebureau, door de officier van justitie aan te wijzen;
dat de opgeëiste persoon in Nederland zal verblijven.
Aldus gedaan in raadkamer op 4 mei 2021 door
mr. E. Rabbie, voorzitter,
mrs. J.C. Tijink en M.M. Dolman, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier J. Stolle.
De griffier is buiten staat deze beschikking mede te ondertekenen.