ECLI:NL:RBROT:2021:4226
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vaststelling WOZ-waarde tussenwoning na beroep tegen te hoge waardering
Eiseres betwistte de door verweerder vastgestelde WOZ-waarde van haar tussenwoning voor het belastingjaar 2020, die was vastgesteld op €244.000,-. Zij stelde dat de waarde €191.000,- zou moeten zijn, gebaseerd op haar aankoopprijs in 2016. Verweerder beriep zich op verkoopcijfers van vergelijkingsobjecten rond de waardepeildatum 1 januari 2019.
De rechtbank oordeelde dat de aankoopprijs van 2016 niet bruikbaar was omdat deze te ver van de waardepeildatum lag en dat de vergelijkingsmethode passend was. Echter, verweerder slaagde er niet in voldoende aannemelijk te maken dat bij de waardering rekening was gehouden met verschillen tussen de vergelijkingsobjecten en de onroerende zaak, met name het afnemend grensnut bij het verschil in inhoud.
Eiseres maakte haar lagere waarde niet aannemelijk. De rechtbank stelde daarom de WOZ-waarde schattenderwijs vast op €235.000,-, verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat verweerder het betaalde griffierecht en proceskosten aan eiseres vergoedt.
Uitkomst: De rechtbank stelde de WOZ-waarde vast op €235.000,- en verklaarde het beroep gegrond.