ECLI:NL:RBROT:2021:4242
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Herziening en terugvordering bijstandsuitkering wegens niet gemelde kasstortingen en bijschrijvingen
Eiseres ontving een bijstandsuitkering en werd opgeroepen voor een heronderzoek waarbij kasstortingen en bijschrijvingen op haar en haar kinderen hun rekeningen werden vastgesteld. Verweerder herzag de uitkering over de periode oktober 2018 tot september 2019 en vorderde een bedrag van € 2.451,02 terug, vermeerderd met een boete.
Eiseres voerde aan dat een deel van de stortingen niet als inkomen mocht worden aangemerkt, onder meer omdat bedragen bestemd waren voor haar broer of voor het betalen van bekeuringen. De rechtbank oordeelde dat kasstortingen en bijschrijvingen in beginsel als inkomen gelden, maar dat de stortingen op de rekeningen van de inwonende kinderen niet langer als middelen worden beschouwd.
De rechtbank stelde vast dat eiseres niet aannemelijk had gemaakt dat zij niet vrijelijk over de stortingen kon beschikken, waardoor de terugvordering en boete moesten worden aangepast. De terugvordering werd vastgesteld op € 815,45 netto en de boete op € 366,95. Het beroep werd gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de proceskosten aan verweerder opgelegd.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de terugvordering en boete verlaagd tot respectievelijk € 815,45 en € 366,95.