Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
,
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Rotterdam
Betrokkene verzocht de rechtbank om een schadevergoeding toe te kennen op grond van artikel 10:12 lid 3 van Pro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz), stellende dat de termijn van artikel 5:16 lid 1 Wvggz Pro was overschreden. Volgens betrokkene was hij hierdoor immateriële schade geleden vanwege onzekerheid over een zorgmachtiging en mogelijke gedwongen opname.
De officier van justitie betwistte de overschrijding en stelde dat op 15 maart 2021 aan betrokkene was meegedeeld dat aan de criteria voor verplichte zorg was voldaan en dat diezelfde dag een verzoek tot zorgmachtiging bij de rechtbank was ingediend, ruim binnen de vierwekentermijn die op 18 februari 2021 was ingegaan.
De rechtbank oordeelde dat de termijn van vier weken, ingaande op 18 februari 2021, uiterlijk op 18 maart 2021 moest worden gerespecteerd. Omdat de officier op 15 maart 2021 had gehandeld, was er geen sprake van overschrijding. Het verzoek tot schadevergoeding werd daarom afgewezen.
De beschikking werd mondeling gegeven op 14 april 2021 door rechter D.Y.A. van Meersbergen en schriftelijk uitgewerkt op 15 april 2021. Tegen deze beschikking staat hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag, uitsluitend door een advocaat in te stellen binnen drie maanden.
Uitkomst: Het verzoek tot schadevergoeding wegens vermeende termijnoverschrijding wordt afgewezen omdat geen overschrijding is vastgesteld.