Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1..De procedure
- de dagvaarding van 1 mei 2020, met producties L-1 tot en met L-11, alsmede het herstelexploot van 28 juli 2020;
- de incidentele conclusie houdende vordering tot zekerheidsstelling voor proceskostenveroordeling, exceptie van onbevoegdheid tevens houdende incidentele vordering ex art. 843a Rv, en voorwaardelijke conclusie van antwoord in het incident ex art. 843a Rv, met producties ASF-1 en ASF-2;
- de conclusie van antwoord in het incident houdende vordering tot zekerheidstelling voor proceskostenveroordeling, exceptie van onbevoegdheid en incidentele vordering ex art. 843a Rv, met productie L-12;
- de conclusie van repliek in het incident strekkende tot onbevoegdheid;
- de conclusie van dupliek in het incident strekkende tot onbevoegdheid;
- de B16-formulieren van ladingbelanghebbenden en [bedrijf A] waarbij zij om aanhouding van het incident tot zekerheidstelling voor de proceskosten hebben verzocht.
2..De feiten
3..Het geschil in de hoofdzaak
casualty reportwas er sprake van een ‘
total blackout’ (een uitval van stroom en/of vermogen). Hieruit volgt volgens ladingbelanghebbenden dat het schip onzeewaardig was en dat [bedrijf A] tekort is geschoten in haar zorgplicht, op grond waarvan [bedrijf A] aansprakelijk is voor de door ladingbelanghebbenden geleden schade.
4..Het geschil in de incidenten
In het door ladingbelanghebbenden opgeworpen incident ex artikel 843a Rv
5..De beoordeling in de incidenten
master mariner[persoon C] . Dat ladingbelanghebbenden niet precies al de daarin genoemde stukken ook in het lichaam van de dagvaarding hebben genoemd, doet er niet aan af dat ook voor [bedrijf A] uit het petitum van de dagvaarding duidelijk moet zijn geweest dat de vorderingen van ladingbelanghebbenden zien op de in voornoemde e-mail genoemde stukken vorderen. De rechtbank zal hier ook van uitgaan. Ladingbelanghebbenden vorderen de afschrift van