De zaak betreft een civiel geschil tussen broers over de afwikkeling van legaten en de legitieme portie uit de nalatenschappen van hun ouders. De vader overleed in 2016 en de moeder in 2019. De eisers vorderden betaling van bedragen uit deze nalatenschappen, waaronder een bedrag van €202.930, legaten van €5.000 per kind en legaten uit de nalatenschap van de moeder.
De gedaagde, tevens executeur van de nalatenschap, heeft de meeste vorderingen inmiddels voldaan, waaronder de betaling van de legaten en het deel van de nalatenschap van de vader. Een resterende extra vordering van €930,65 door een van de broers werd erkend door de executeur. De gevorderde rente werd afgewezen omdat betaling pas na verkoop van een boerderij mogelijk was en de executeur direct na betaling heeft voldaan.
De rechtbank constateert dat het resterende geschil vooral draait om de hoogte van de legitieme portie uit de nalatenschap van de moeder. De rechtbank moedigt partijen aan om hun resterende meningsverschillen te concretiseren en in onderling overleg tot een oplossing te komen. Indien dit niet lukt, zal de rechtbank op een volgende zitting de resterende punten inventariseren en beoordelen.
De rechtbank verwijst de zaak naar een rolzitting op 23 juni 2021 om te bespreken of partijen tot overeenstemming zijn gekomen en om verdere procedurele stappen te bepalen. De rechtbank benadrukt dat verdere uitwerking van de complexe nalatenschap mogelijk veel tijd en kosten met zich meebrengt.