Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
uitspraak van de meervoudige kamer van 27 mei 2021 in de zaak tussen
[Naam], te [plaats], eiser,
de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, verweerder,
Procesverloop
Overwegingen
In artikel 91, eerste lid, van het VWEU is neergelegd welke onderwerpen op het gebied van het vervoer worden geregeld bij secundair unierecht, zoals de voorwaarden waaronder vervoerondernemers worden toegelaten tot nationaal vervoer in een lidstaat waarin zij niet woonachtig zijn, de maatregelen die de veiligheid van het vervoer kunnen verbeteren en alle overige dienstige bepalingen. De rechtbank is van oordeel dat het afnemen van examens aan machinisten een dienst op het gebied van het vervoer is, omdat daarmee de veiligheid van het vervoer wordt gewaarborgd. Dit betekent dat het secundaire unierecht bepalend is voor het antwoord op de vraag of de erkenning om in een lidstaat de dienst van het afnemen van examens aan machinisten te mogen afnemen ook in andere lidstaten geëerbiedigd moet worden.
Uit artikel 6 van Pro het Besluit spoorwegpersoneel 2011, zoals dit luidde tot 1 april 2019, volgt dat verweerder een examenprogramma voor machinisten vaststelt dat voldoet aan de:
(a) in bijlage IV van richtlijn 2007/59/EG gestelde eisen inzake algemene kennis en vaardigheden;
(b) in bijlagen V en VI van richtlijn 2007/59/EG gestelde eisen inzake specifieke vakkennis inzake spoorvoertuigen en hoofdspoorweginfrastructuur.
Uit artikel 2 van Pro het Besluit mandaat Stichting Veiligheid en Vakmanschap Rail Vervoer, dat gold tot 1 mei 2019, volgt verder dat het bestuur van VVRV was gemandateerd tot de vaststelling van een examenprogramma en de erkenning van examinatoren.
Dat geen examenprogramma is vastgesteld laat onverlet dat bij de examinering van machinisten in Nederland aan de Europese criteria gebruik zal worden gemaakt van examenmethodes en examendocumenten, die niet bij algemeen verbindend voorschrift worden vastgesteld. Bij de aanvraag om erkenning van eiser als examinator kan verweerder daarom ondanks een erkenning van de Duitse autoriteiten onder meer een examen afnemen om te bezien of eiser een grondige kennis heeft van de relevante examenmethodes en examendocumenten.
Het verkorte programma houdt in dat eiser zichzelf zal moeten beoordelen op een zestal basiscompetenties voor examinatoren. Na die zelfbeoordeling heeft een gesprek plaats met VVRV. Als eiser op basis daarvan voldoende beschikt over die competenties volgt een trainingsdag waarbij oefeningen worden gedaan die horen bij de vakbekwaamheidseisen beoordelingsvaardigheden en beoordelingshouding, zoals opgenomen in het examenprogramma van de VVRV. Daarna zal de VVRV in een evaluatiegesprek eiser beoordelen op zijn kennis van de Nederlandse examenmethoden en examendocumenten. Het komt er aldus op neer dat de zelfevaluatie en de trainingsdag eiser de grondige kennis moeten verschaffen van de relevante examenmethodes en examendocumenten. Een dergelijk programma is niet in strijd met artikel 7 van Pro het Besluit spoorwegpersoneel 2011 zoals dat gold toen het bestreden besluit werd genomen. Met verweerder is de rechtbank voorts van oordeel dat dit voorstel voor een verkort programma niet in strijd is met de eisen van proportionaliteit en evenmin in strijd is met de in Duitsland verleende erkenning. Eiser heeft niet gesteld dat de hieraan verbonden kosten van € 500 onevenredig hoog zijn.
Die zal beoordeeld moeten worden aan de hand van de feiten en omstandigheden die zich dan voordoen en voorts aan de hand van de artikelen 8, derde lid, en 9, eerste en tweede lid, van de Regeling spoorwegpersoneel 2011, zoals die bepalingen luiden vanaf 1 april 2019, tenzij voordien het recht wederom is gewijzigd.