ECLI:NL:RBROT:2021:4488
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen verlaging voorschot kinderopvangtoeslag wegens toeslagpartnerschap
Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van de Belastingdienst om het voorschot kinderopvangtoeslag voor 2018 te verlagen naar nul, omdat haar ex-partner volgens de Belastingdienst als toeslagpartner moet worden aangemerkt. De rechtbank stelt vast dat eiseres, haar ex-partner en hun kind het gehele jaar 2018 op hetzelfde adres stonden ingeschreven, wat voldoet aan de wettelijke criteria voor toeslagpartnerschap volgens artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de Awir.
Eiseres betoogt dat zij feitelijk een zelfstandige woonruimte huurt van haar ex-partner en dat er sprake is van een uitzonderlijke situatie die toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigt. De rechtbank oordeelt echter dat het niet relevant is of sprake is van een zelfstandige woonruimte en dat eiseres onvoldoende bewijs heeft geleverd van een zakelijke huurovereenkomst en feitelijke zelfstandigheid.
De rechtbank verwijst naar de wettelijke regeling dat de hardheidsclausule niet van toepassing is op de vraag wie als toeslagpartner wordt aangemerkt. Ook is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die matiging van de terugvordering of een proportionele vaststelling van de toeslag rechtvaardigen. Daarom verklaart de rechtbank het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep tegen de verlaging van het voorschot kinderopvangtoeslag naar nihil wordt ongegrond verklaard omdat de ex-partner als toeslagpartner wordt aangemerkt.