Eiseres was werkzaam bij het Ontwikkelingsbedrijf Rotterdam en kreeg passende arbeid aangeboden nadat zij haar eigen functie niet meer kon uitvoeren vanwege ziekte. Verweerder besloot de salarisdoorbetaling per 16 april 2019 stop te zetten omdat eiseres de passende arbeid weigerde. Eiseres betoogde dat zij te ziek was om de aangeboden arbeid te verrichten vanwege lichamelijke en ernstige psychische klachten.
De rechtbank stelde vast dat de bedrijfsarts en een second opinion adviseerden dat eiseres wel arbeid kon verrichten, met benutbare mogelijkheden en een opbouw in kleine stappen. Ook het UWV-rapport en de beoordeling gaven aan dat eiseres niet volledig arbeidsongeschikt was en dat verweerder voldoende re-integratie-inspanningen had verricht. Eiseres kon onvoldoende aantonen dat zij op 16 april 2019 niet in staat was passende arbeid te verrichten.
De rechtbank verwierp verder het bewijs van een medewerker van Ard Korevaar Personenschade en het tegenstrijdige werkplan van het UWV als onvoldoende. Eiseres erkende dat zij passende arbeid had geweigerd sinds 16 april 2019. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde het besluit tot stopzetting van de salarisbetaling.