Op 21 april 2020 sloten partijen een overeenkomst voor schilder- en stucwerkzaamheden in de woning van gedaagde. Eiser begon op 22 april en was op 5 mei 2020 klaar. Gedaagde en zijn broer keurden het werk af. Eiser ontving contante betalingen van € 2.000 en € 1.000, maar gedaagde betaalde de factuur van € 2.600 niet.
Eiser vordert betaling van € 2.600, stellende dat de aanvankelijke prijs van € 4.900 was verhoogd tot € 5.600 wegens extra werkzaamheden. Gedaagde betwist dit en stelt dat de prijs juist is verlaagd tot € 3.000 omdat minder werk nodig was, en dat hij dit bedrag al heeft voldaan.
De kantonrechter wijst partijen bewijsopdrachten toe: eiser moet bewijzen dat de prijs is verhoogd, gedaagde moet bewijzen dat de prijs is verlaagd. Partijen beschikken alleen over mondelinge afspraken en beperkte schriftelijke bewijsstukken. De rechter stelt een zitting op 9 juni 2021 voor om te bespreken of en hoe bewijs wordt geleverd.
De kantonrechter gaat niet in op de stelling van gedaagde over herstelkosten wegens gebrekkig werk, omdat daar geen verweer of vordering aan is verbonden. De zaak wordt aangehouden voor verdere bewijslevering en beslissing.