Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1..Het verloop van de procedure
2..De vaststaande feiten
3..De vordering en het verweer in conventie
4..De vordering en het verweer in reconventie
5..De beoordeling
In conventie
6..De beslissing
:
Rechtbank Rotterdam
Op 27 juni 2019 gaf gedaagde opdracht aan eiseres voor reparatie van zijn auto wegens koelvloeistoflekkage. De eerste reparatie vond plaats op 30 juli 2019, waarvoor gedaagde € 410,41 betaalde. Na klachten over aanhoudende lekkage volgde op 25 november 2019 een tweede reparatie, gefactureerd voor € 1.815,-. Gedaagde betaalde deze factuur niet en stelde dat de tweede reparatie een herstel was van de eerste mislukte reparatie en onder garantie viel.
Eiseres vorderde betaling van de tweede factuur en rente, terwijl gedaagde in reconventie terugbetaling van de eerste factuur eiste wegens mislukte reparatie. De kantonrechter oordeelde dat gedaagde opdracht had gegeven voor de tweede reparatie en dat de factuur redelijk was. De eerste reparatie was geen resultaatverbintenis maar inspanningsverplichting, en de tweede reparatie betrof een ander onderdeel, dus viel niet onder garantie.
De stelling van gedaagde dat de lekkage na de tweede reparatie nog bestond, was onvoldoende onderbouwd. De vordering van eiseres werd toegewezen, de terugvordering van gedaagde afgewezen. Gedaagde werd veroordeeld tot betaling van € 2.087,25 plus wettelijke rente en proceskosten.
Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van € 2.087,25 plus wettelijke rente en proceskosten; terugvordering eerste reparatie wordt afgewezen.