ECLI:NL:RBROT:2021:4927
Rechtbank Rotterdam
- Bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ontvankelijkheid bezwaar en rechtsgang tegen aanwijzing door De Nederlandsche Bank
De zaak betreft een aanwijzing die De Nederlandsche Bank (DNB) aan eiseres, een bank, heeft gegeven op grond van artikel 1:75, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht (Wft). Eiseres maakte bezwaar tegen de aanwijzing en voerde onder meer aan dat de openbaarmaking van de aanwijzing onterecht zou zijn en dat het geven van de aanwijzing onevenredig was vanwege een wetstechnische omissie die bezwaar en beroep tegen een aanwijzing uitsluit.
De rechtbank stelt vast dat de openbaarmaking van de aanwijzing pas aan de orde kan komen nadat het besluit onherroepelijk is geworden en dat de opmerkingen over publicatie in de besluiten slechts informatief zijn. Het geschil over de juridische grondslag voor openbaarmaking valt daarom buiten het geding. Verder oordeelt de rechtbank dat ondanks de letter van de wet bezwaar tegen een aanwijzing niet mogelijk is, DNB het bezwaar van eiseres terecht ontvankelijk heeft geacht en inhoudelijk heeft beoordeeld.
De rechtbank concludeert dat de wetstechnische omissie in de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak niet berust op een bewuste keuze van de wetgever en dat het belang van het beëindigen van overtredingen van de Wft zwaarder weegt dan de onzekerheid over de te volgen rechtsgang. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de aanwijzing van DNB wordt ongegrond verklaard en het bezwaar terecht ontvankelijk geacht.