In de zaak Darwina draaide het om een container met 268 kilogram cocaïne die op 12 februari 2020 door de douane in Rotterdam werd onderschept en in beslag genomen. Verdachte werd op 14 februari 2020 aangetroffen in een loods waar de container was gebracht nadat de cocaïne was verwijderd. De officier van justitie eiste 48 maanden gevangenisstraf wegens (verlengde) invoer van cocaïne.
De verdediging beriep zich op het kokosnootarrest van de Hoge Raad, waarin is bepaald dat handelingen na inbeslagname van verdovende middelen niet meer kunnen strekken tot invoer. De rechtbank oordeelde dat verdachte pas na de inbeslagname met de container in verband kon worden gebracht en dat er geen bewijs was dat hij wist van de cocaïne. Daarom werd verdachte vrijgesproken van het primair ten laste gelegde.
Ook het subsidiair ten laste gelegde, voorbereidingshandelingen, kon niet worden bewezen omdat de verklaring van verdachte over zijn aanwezigheid in de loods niet ongeloofwaardig genoeg was om opzet aan te nemen. De rechtbank handhaafde de vaste jurisprudentie en sprak verdachte integraal vrij. Het bevel tot voorlopige hechtenis werd opgeheven.