ECLI:NL:RBROT:2021:4955
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde galerijwoning met parkeerplaats en schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn
Eiser betwist de door verweerder vastgestelde WOZ-waarde van zijn galerijwoning met parkeerplaats te Rotterdam voor het belastingjaar 2018, stellende dat de waarde te hoog is vastgesteld op € 232.000,- en pleit voor een waarde van € 204.000,-. Verweerder baseert zich op de vergelijkingsmethode met verkoopcijfers van vergelijkbare appartementen rond de waardepeildatum 1 januari 2017 en voert aan dat er geen sprake is van identieke objecten, mede door verschillen in aanwezigheid van parkeerplaatsen.
De rechtbank oordeelt dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel en de meerderheidsregel niet slaagt omdat de woningen niet identiek zijn en de waardering voldoende rekening houdt met verschillen, waaronder die van de parkeerplaats. De waarde van de parkeerplaats zelf staat niet ter toetsing, maar de eindwaarde van de woning dient onderbouwd te zijn, wat hier het geval is.
Daarnaast verzoekt eiser om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn van twee jaar is verlengd met een half jaar vanwege de coronapandemie, waardoor een termijn van tweeënhalf jaar geldt. De termijn is met negen maanden overschreden, waardoor eiser recht heeft op een schadevergoeding van € 1.000,-, verdeeld over verweerder (€ 750,-) en de Staat (€ 250,-). Ook wordt het griffierecht en een deel van de proceskosten aan eiser toegekend, eveneens verdeeld tussen verweerder en de Staat.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, veroordeelt verweerder en de Staat tot betaling van de schadevergoeding en proceskosten, en wijst het hoger beroep toe aan het gerechtshof Den Haag.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard en eiser krijgt een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toegekend.