ECLI:NL:RBROT:2021:500

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
5 januari 2021
Publicatiedatum
27 januari 2021
Zaaknummer
C/10/598241 / JE RK 20-1667
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling vier minderjarige kinderen wegens bedreigde ontwikkeling

De rechtbank Rotterdam heeft op 5 januari 2021 beslist tot verlenging van de ondertoezichtstelling van vier minderjarige kinderen, geboren tussen 2006 en 2018, voor een periode van zes maanden. De ondertoezichtstelling was aanvankelijk ingesteld op 12 februari 2019 en reeds verlengd tot 12 februari 2021.

De gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming heeft het verzoek tot verlenging ingediend vanwege onvoldoende zicht op de thuissituatie en opvoedvaardigheden van de moeder, die het ouderlijk gezag uitoefent. Er zijn zorgen over de ontwikkeling van de kinderen, met name over het schoolverzuim van de oudste twee en de taalontwikkeling van de jongste twee. De vader is niet betrokken bij de hulpverlening.

Hoewel er positieve ontwikkelingen zijn, zoals verminderd schoolverzuim en aanmelding van de jongste kinderen bij een peuterspeelzaal, acht de rechtbank het noodzakelijk dat de GI de situatie verder monitort en ondersteunt. De ondertoezichtstelling wordt daarom verlengd tot 12 augustus 2021, met het oog op het waarborgen van de ontwikkeling en veiligheid van de kinderen.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van vier minderjarige kinderen wordt verlengd tot 12 augustus 2021.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaakgegevens: C/10/598241 / JE RK 20-1667
datum uitspraak: 5 januari 2021

beschikking verlenging ondertoezichtstelling

in de zaak van

de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming &

Jeugdreclassering, hierna te noemen de GI, gevestigd te Amsterdam,
betreffende

[naam kind 1] ,

geboren op [geboortedatum kind 1] 2006 te [geboorteplaats kind 1] , hierna te noemen [naam kind 1]
,
[naam kind 2],
geboren op [geboortedatum kind 2] 2008 te [geboorteplaats kind 2] , hierna te noemen [naam kind 2] ,
[naam kind 3],
geboren op [geboortedatum kind 3] 2017 te [geboorteplaats kind 3] , hierna te noemen [naam kind 3] ,
[naam kind 4],
geboren op [geboortedatum kind 4] 2018 te [geboorteplaats kind 4] , hierna te noemen [naam kind 4] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[naam moeder] ,

hierna te noemen de moeder, wonende te [woonplaats moeder] .
De kinderrechter merkt als informant aan:

[naam vader] ,

hierna te noemen de vader, wonende te [woonplaats vader] .

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
- het verzoek met bijlagen van de GI van 11 juni 2020, ingekomen bij de griffie op 15 juni 2020,
- de beschikking van de kinderrechter van 28 juli 2020,
- de rectificatiebeschikking van de kinderrechter van 23 september 2020,
- de brief van de GI d.d. 16 november 2020, ingekomen bij de griffie op 17 november 2020.
Op 5 januari 2021 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.
Gehoord is een vertegenwoordigster van de GI, [naam vertegenwoordigster] .
Opgeroepen en niet verschenen zijn de ouders.
[naam kind 1] en [naam kind 2] zijn in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken.

De feitenHet ouderlijk gezag over [naam kind 1] , [naam kind 2] , [naam kind 3] en [naam kind 4] wordt uitgeoefend door de moeder.

[naam kind 1] , [naam kind 2] , [naam kind 3] en [naam kind 4] wonen bij de ouders.
Bij beschikking van 12 februari 2019 zijn [naam kind 1] , [naam kind 2] , [naam kind 3] en [naam kind 4] onder toezicht gesteld. Bij beschikking van 28 juni 2020 is de ondertoezichtstelling verlengd tot 12 februari 2021. De beslissing voor het overig verzochte is aangehouden.

Het verzoek

Thans dient te worden beslist of de ondertoezichtstelling van [naam kind 1] , [naam kind 2] , [naam kind 3] en [naam kind 4] dient te worden verlengd voor de duur van zes maanden.
De GI handhaaft ter zitting het verzoek. De GI heeft nog altijd weinig zicht op het gezin en op hoe omgegaan wordt met de leeftijdsverschillen van de kinderen. De jeugdbeschermer heeft de vader nooit ontmoet, maar er zijn geen zorgen omtrent de vader naar voren gekomen in de gesprekken met de kinderen. De moeder houdt de deur dicht en zegt afspraken met de hulpverlening van ASVZ en de GI af. De GI wenst de komende periode meer zicht te krijgen op de thuissituatie van de kinderen. Daarnaast heeft de GI zorgen over de ontwikkeling van de kinderen en het schoolverzuim van [naam kind 1] en [naam kind 2] . Het schoolverzuim van [naam kind 1] en [naam kind 2] is sterk verminderd. De school geeft ook aan dat [naam kind 2] een goede werkhouding heeft en rustig is op school. In de eerste periode dat de scholen dicht waren vanwege de coronamaatregelen is het de moeder niet gelukt om zonder de ondersteuning van de GI thuisonderwijs te bieden. [naam kind 2] gaat daarom tijdens de huidige sluiting van de scholen wel naar school. Daarnaast was er tot voorkort weinig zicht op de ontwikkeling van de [naam kind 3] en [naam kind 4] . Volgens het consultatiebureau zijn zij goed ontwikkeld, maar loopt hun Nederlandse taalontwikkeling achter. De oorzaak hiervan is vermoedelijk dat de moeder niet goed Nederlands spreekt. [naam kind 3] en [naam kind 4] gaan binnenkort vijf ochtenden in de week naar een peuterspeelzaal via een voorschoolse educatie verklaring (VVE-verklaring). De GI wenst de komende periode het verloop van de schoolgang en de aanmelding op de peuterspeelzaal te monitoren. Tevens wenst de GI meer zicht te krijgen op de thuissituatie van de kinderen en de opvoedvaardigheden van de moeder.

De beoordeling

Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat [naam kind 1] , [naam kind 2] , [naam kind 3] en [naam kind 4] nog altijd ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. Er zijn nog altijd zorgen over of de moeder voldoende opvoedvaardigheden heeft om aan te sluiten bij de verschillende levensfases van de kinderen. De GI heeft onvoldoende zicht gekregen op de opvoedvaardigheden van de moeder in de thuissituatie. Daarnaast vinden de afspraken met de hulpverleners van ASVZ niet altijd doorgang. Verder is het zorgelijk dat de GI geen contact met de vader heeft weten te leggen. Tevens is het de afgelopen periode gebleken dat het voor de moeder lastig is om thuisonderwijs te bieden aan [naam kind 1] en [naam kind 2] . Tegelijkertijd zijn er een aantal positieve ontwikkelingen in het gezin. Het schoolverzuim van [naam kind 1] en [naam kind 2] is verminderd en [naam kind 3] en [naam kind 4] zullen binnenkort starten op de peuterspeelzaal. Het is de komende periode van belang dat de GI de zorgen die er bestaan over de opvoedsituatie in de thuissituatie verder onderzoekt. Verder is het van belang dat de GI het gezin blijft steunen bij de start op de peuterspeelzaal van [naam kind 3] en [naam kind 4] en het volgen van (thuis)onderwijs van [naam kind 1] en [naam kind 2] . De kinderrechter is van oordeel dat indien de huidige positieve ontwikkelingen worden vastgehouden en er geen nieuwe of andere zorgen ontstaan, toegewerkt dient te worden naar een afsluiting van de ondertoezichtstelling.
Uit voorgaande volgt dat is voldaan aan het wettelijke criterium genoemd in artikel 1:255 van Pro het Burgerlijk Wetboek. De kinderrechter zal daarom de ondertoezichtstelling van [naam kind 1] , [naam kind 2] , [naam kind 3] en [naam kind 4] verlengen voor de duur van zes maanden.

De beslissing

De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [naam kind 1] , [naam kind 2] , [naam kind 3] en [naam kind 4] tot 12 augustus 2021;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. W.J. Loorbach, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. S. de Leeuw als griffier en in het openbaar uitgesproken op 5 januari 2021. De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 14 januari 2021.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Den Haag.