Verzoeker diende een verzoek in tot toepassing van een gedwongen schuldregeling op grond van artikel 287a Faillissementswet, nadat negen van de tien schuldeisers instemden met een schuldregeling die een percentage van de vorderingen uitkeert. Eén schuldeiser, met een relatief klein aandeel van 3,2% in de totale schuldenlast, weigerde in te stemmen en voerde aan dat de schuld niet te goeder trouw was ontstaan.
De rechtbank stelde vast dat verzoeker een stabiele financiële situatie heeft met een fulltime dienstverband voor onbepaalde tijd en dat het voorstel door een onafhankelijke partij was getoetst en goed onderbouwd. Hoewel de schuld van de verzetvoerende schuldeiser deels onrechtmatig was ontstaan, vormde dit geen reden om het verzoek af te wijzen. De belangen van verzoeker en de meerderheid van schuldeisers wogen zwaarder dan het belang van de schuldeiser die weigerde.
De rechtbank wees het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling af, omdat het minnelijk traject met de gedwongen schuldregeling een gunstiger resultaat voor de schuldeisers oplevert. De schuldeiser werd veroordeeld om in te stemmen met de regeling en in de proceskosten, die nihil werden begroot.
De gedwongen schuldregeling treedt in de plaats van vrijwillige instemming en verzoeker kan doorgaan met betalingen, zonder dat sprake is van betalingsonmacht.