De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarige kinderen voor respectievelijk twaalf en negen maanden. De kinderen verblijven in een pleeggezin en er zijn ernstige zorgen over hun sociaal-emotionele ontwikkeling en veiligheid door de psychische problematiek van de moeder, die geen hulp accepteert.
Tijdens de zitting, die met gesloten deuren plaatsvond, werden de moeder, de minderjarige kinderen, vertegenwoordigers van de Raad en gecertificeerde instellingen gehoord. De vader was niet verschenen. De moeder erkent de problemen niet en werkt niet mee aan een persoonlijkheidsonderzoek dat noodzakelijk wordt geacht om passende hulpverlening te bepalen.
De kinderrechter oordeelt dat de kinderen ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd en dat de situatie niet verbetert zolang de moeder geen inzicht toont en geen hulp zoekt. Daarom wordt de ondertoezichtstelling voor twaalf maanden en de machtiging tot uithuisplaatsing voor negen maanden verleend, met het oog op de veiligheid en ontwikkeling van de kinderen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en kan binnen drie maanden worden aangevochten.