De zaak betreft de machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarige kinderen, die tot dan toe bij hun grootmoeder moederszijde verbleven. De moeder oefent het ouderlijk gezag uit, maar woont niet meer bij de kinderen. De Raad voor de Kinderbescherming verzoekt verlenging van de uithuisplaatsing bij de grootmoeder, en subsidiair machtiging tot plaatsing bij de vader zonder gezag.
De kinderrechter constateert dat er zorgen zijn over de opvoedvaardigheden van de vader en dat het perspectief van de kinderen nog niet duidelijk is door communicatieproblemen tussen betrokken instanties. De grootmoeder belemmert het contact tussen vader en kinderen, wat leidt tot loyaliteitsconflicten. De vader wenst dat de kinderen bij hem komen wonen en stemt in met de subsidiaire plaatsing.
De kinderrechter wijst het primaire verzoek tot verlenging van plaatsing bij de grootmoeder af, gelet op de verstoorde familiale relatie en het belang dat kinderen bij een van hun ouders opgroeien. Het subsidiaire verzoek tot plaatsing bij de vader wordt toegewezen, met de voorwaarde dat de vader professionele opvoedondersteuning ontvangt. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en geldt van 10 april 2021 tot 10 juli 2021.