Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
,
Rechtbank Rotterdam
Verzoekster heeft een schadevergoeding gevorderd wegens overschrijding van de beslistermijn van artikel 5:16 lid 1 Wvggz Pro door de officier van justitie. De termijn werd overschreden met elf dagen, omdat de officier het verzoek tot zorgmachtiging later indiende dan de wettelijke termijn voorschrijft.
De officier stelde dat de termijnoverschrijding mede te wijten was aan het niet meewerken van verzoekster aan het onderzoek door een onafhankelijke psychiater, en beriep zich op artikel 6:101 lid 1 BW Pro om de schade geheel aan verzoekster toe te rekenen. Verzoekster stelde dat zij onder invloed was van een manisch psychotische stoornis, waardoor haar niet-medewerking niet aan haar kon worden toegerekend.
De rechtbank oordeelde dat verzoekster voldoende aannemelijk had gemaakt dat zij schade had geleden door de termijnoverschrijding en dat haar psychische stoornis de oorzaak was van haar niet-medewerking. Daarom kon de schade niet aan haar worden toegerekend en werd het beroep op artikel 6:101 lid 1 BW Pro verworpen.
De rechtbank stelde de schadevergoeding naar billijkheid vast op €20 per dag, wat bij een termijnoverschrijding van elf dagen resulteerde in een vergoeding van €220. De Staat werd veroordeeld tot betaling van dit bedrag aan verzoekster.
De beschikking is op 26 mei 2021 mondeling gegeven en op 28 mei 2021 schriftelijk uitgewerkt.
Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de Staat tot betaling van €220 schadevergoeding wegens overschrijding van de beslistermijn Wvggz.