ECLI:NL:RBROT:2021:5694

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
9 juni 2021
Publicatiedatum
22 juni 2021
Zaaknummer
C/10/592705 / FA RK 20-1510
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:412 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging tot uitoefening erfgenaamschap bij onzeker bestaan erfgenaam

Verzoeker heeft op grond van artikel 1:412 BW Pro een machtiging gevraagd om het recht uit te oefenen als erfgenaam van de nalatenschap van zijn overleden grootvader, waarbij het bestaan van zijn moeder als erfgenaam onzeker is vanwege haar vermissing sinds 2010.

Tijdens de mondelinge behandeling stemde een erfgenaam in met het verzoek, terwijl twee anderen bezwaren uitten vanwege de vrees dat verzoeker het erfdeel van de vermiste moeder zou verbruiken. De rechtbank stelde vast dat aan het wettelijke criterium van onzeker bestaan was voldaan en wees het verzoek toe.

Om de onderlinge verhoudingen te beschermen en wantrouwen weg te nemen, sloten verzoeker en de overige erfgenamen een overeenkomst waarin het erfdeel van de vermiste moeder op een derdenrekening wordt gestort voor een termijn van drie jaar, waarna het bedrag gelijkelijk aan verzoeker en een andere erfgenaam wordt overgedragen.

De rechtbank nam deze afspraak op in het dictum en bepaalde dat iedere partij de eigen proceskosten draagt. Tegen deze beschikking staat hoger beroep open binnen drie maanden.

Uitkomst: Verzoeker wordt gemachtigd het erfgenaamschap uit te oefenen van de vermiste erfgenaam met aanvullende afspraken over beheer erfdeel.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie
zaaknummer / rekestnummer: C/10/592705 / FA RK 20-1510
Beschikking van 9 juni 2021 betreffende verzoek op grond van artikel 1:412 BW Pro
in de zaak van:
[naam verzoeker],
hierna te noemen verzoeker ,
wonende te [woonplaats verzoeker],
advocaat mr. W.W.P. Mei te Hilversum.
Belanghebbenden in deze zaak zijn:
I.
[naam moeder],
hierna te noemen de moeder,
zonder bekende woon-of verblijfplaats in Nederland of daarbuiten,
II.
[naam 1] ,
hierna te noemen [naam 1] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
III.
[naam 2] ,
hierna te noemen [naam 2] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
IV.
[naam 3] ,
hierna te noemen [naam 3] ,
wonende te [woonplaats 3] ,
V.
[naam 4],
hierna te noemen [naam 4] ,
wonende te [woonplaats 4] .

1..De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen op 25 februari 2020.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 20 mei 2021. Daarbij zijn verschenen:
  • verzoeker, bijgestaan door zijn advocaat;
  • [naam 1] ;
  • [naam 2] ;
  • [naam 3] .
[naam 4] en de moeder zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

2..De vaststaande feiten

2.1.
Verzoeker is op [geboortedatum verzoeker] te [geboorteplaats verzoeker] geboren uit de moeder.
2.2.
Verzoeker heeft op 25 augustus 2010 de vermissing van de moeder gemeld bij de politie Rotterdam. Hiervan is een verklaring van vermissing opgemaakt
.Ten tijde van de afgifte van deze verklaring op 27 november 2019 is uit onderzoek in de administratie van de politie gebleken dat de moeder nog steeds als vermist wordt beschouwd.
2.3.
Op 28 mei 2018 is [naam 5] , de oma van verzoeker, te Paramaribo (Suriname) overleden.
2.4.
Op 10 maart 2019 is [naam 6] , opa van verzoeker, te Rotterdam overleden.

3..De beoordeling

3.1.
Het verzoek strekt ertoe verzoeker op grond van artikel 1:412 BW Pro te machtigen om het recht uit te oefenen als erfgenaam van de nalatenschap van [naam 6] .
3.2.
[naam 1] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard in te stemmen met het verzoek.
[naam 2] en [naam 3] hebben tijdens de mondelinge behandeling hun bezwaren tegen het verzoek naar voren gebracht.
3.3.
Op grond van artikel 1:412 lid 1 BW Pro kan de rechtbank een machtiging verlenen tot het uitoefenen van het recht van erfgenaam of legataris wanneer een erfdeel of legaat opkomt aan een persoon wiens bestaan onzeker is. De rechtbank stelt op grond van de hiervoor vermelde feiten vast dat aan dit wettelijke criterium is voldaan. [naam 2] en
[naam 3] erkennen dit overigens ook. Het verzoek zal worden toegewezen.
3.4.
[naam 2] en [naam 3] sluiten niet uit dat de moeder nog steeds in leven is en dat zij op enig moment weer zal verschijnen. Zij vrezen dat verzoeker het erfdeel van de moeder voor die tijd zal hebben verbruikt. Tijdens de mondelinge behandeling is besproken dat de moeder in een dergelijk geval op grond van lid 3 van artikel 1:412 BW Pro een vordering tot teruggave kan doen.
Echter, omdat de verstandhouding tussen de betrokkenen bij deze procedure moeizaam is en door andere rechtszaken al op scherp staat, hebben zij tijdens de mondelinge behandeling een afspraak gemaakt om de bezwaren van [naam 2] en [naam 3] grotendeels te ondervangen.
Omdat [naam 2] en [naam 3] tijdens de mondelinge behandeling de indruk wekten dat zij goed konden inschatten of [naam 4] ook instemt met de hierna vermelde overeenkomst, ligt het voor de hand dat zij haar vragen om haar instemming met de onder 3.5 vermelde overeenkomst schriftelijk te bevestigen aan verzoeker binnen twee weken na deze uitspraak.
3.5.
Tussen verzoeker en [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] is overeengekomen dat:
  • het geldbedrag uit het erfdeel dat aan de moeder toekomt
  • op een derdenrekening van de boedelnotaris zal worden gestort
  • waarna een termijn van drie jaar gaat lopen
  • en dat na afloop van die termijn van drie jaar het betreffende geldbedrag in bezit wordt gegeven aan en dus van de derdengeldrekening van de boedelnotaris wordt overgeschreven naar, verzoeker en [naam 4] , beiden voor de helft van dat geldbedrag.
De rechtbank zal deze afspraak hierna in het dictum opnemen, omdat partijen het daarover eens zijn.
Proceskosten
3.6.
Gelet op de betrekkingen tussen de partijen zullen de kosten worden gecompenseerd in die zin, dat ieder de eigen kosten draagt.

4..De beslissing

De rechtbank:
4.1.
verleent verzoeker machtiging tot de uitoefening van het recht van erfgenaam inzake het erfdeel dat aan de vermiste is opgekomen uit de nalatenschap van [naam 6] ;
4.2.
neemt op in deze beschikking de tussen verzoeker en [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] gemaakte afspraak, zoals opgenomen onder rechtsoverweging 3.5;
4.3.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van deze procedure draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.J. Klomp, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. Ligthart op 9 juni 2021.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden voor het instellen van hoger beroep.