De Raad voor de Kinderbescherming verzocht op 20 april 2021 om ondertoezichtstelling van een minderjarige voor twaalf maanden en machtiging tot uithuisplaatsing voor negen maanden. De zaak werd op 1 juni 2021 behandeld door de kinderrechter van de Rechtbank Rotterdam met gesloten deuren. De minderjarige verblijft sinds december 2020 bij zijn vader en oma vaderszijde vanwege problematiek bij de ouders.
De moeder kampt met psychische problemen en heeft een suïcidepoging gedaan, terwijl de vader een alcoholverslaving heeft en conflicten tussen ouders de situatie onveilig maakten. De kinderrechter achtte de ontwikkeling van het kind ernstig bedreigd en vond voortzetting van hulpverlening noodzakelijk. De ouders streven naar herstel van hun relatie en het gezin.
De kinderrechter stelde de minderjarige onder toezicht van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west voor twaalf maanden en verklaarde de beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Het verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing werd afgewezen omdat de veiligheid bij de ouders en oma voldoende gewaarborgd is. De beslissing werd op 1 juni 2021 mondeling uitgesproken en op 10 juni 2021 schriftelijk vastgesteld.