De rechtbank Rotterdam behandelde op 12 mei 2021 het verzoek van de officier van justitie tot het verkrijgen van een zorgmachtiging voor betrokkene, op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz).
Betrokkene ontkende het bestaan van een psychische stoornis en vertoonde tijdens de zitting een gezonde indruk. Er waren geen concrete aanwijzingen voor paranoïde gedachten, agressief gedrag of ernstige verwaarlozing, zoals nauwelijks eten. De familie maakte zich weliswaar zorgen, maar deze zorgen waren niet concreet omschreven in de stukken. Verder ontbraken relevante politiegegevens en contacten met de crisisdienst.
De broer van betrokkene verklaarde begin februari 2021 nog geen zorgen te hebben en gaf aan dat de familie betrokkene kan ondersteunen. Betrokkene verscheen niet op een afspraak met een onafhankelijke psychiater, maar eerdere contacten waren vriendelijk en coöperatief.
Gelet op het voorgaande concludeerde de rechtbank dat onvoldoende duidelijk is dat betrokkene een stoornis heeft die een zorgmachtiging rechtvaardigt. Daarom werd het verzoek afgewezen. Tegen deze beschikking staat cassatie open.