De zaak betreft een werknemer die sinds 1980 bij de werkgever in dienst is en sinds 2011 gedeeltelijk arbeidsongeschikt is met een aangepaste arbeidsovereenkomst. Vanaf 2018 is hij volledig arbeidsongeschikt en sinds juli 2020 ontvangt hij een WIA-uitkering. De werkgever heeft een voorstel gedaan tot beëindiging van het dienstverband met betaling van een transitievergoeding van €28.657,71, maar de werknemer vordert een hogere vergoeding van €55.886,33.
De werknemer verzoekt de kantonrechter om de werkgever te verplichten mee te werken aan de beëindiging van het dienstverband en tot betaling van de hogere transitievergoeding, inclusief wettelijke rente en verhoging. De werkgever betwist dit en stelt dat het dienstverband nog loopt, waardoor de transitievergoeding nog niet opeisbaar is.
De rechtbank overweegt dat de werkgever bereid is het dienstverband te beëindigen en dat de werknemer geen belang heeft bij een verklaring voor recht dat de werkgever moet meewerken. De Kolom-beschikking van de Hoge Raad is niet van toepassing op deze situatie omdat de wijziging van de arbeidsovereenkomst in 2011 plaatsvond vóór de invoering van de transitievergoeding. De fictie dat de werknemer sinds 1980 volledig in dienst zou zijn geweest, wordt verworpen.
De kantonrechter wijst het verzoek af en veroordeelt de werknemer in de proceskosten. Er bestaat op dit moment geen juridische grondslag voor toekenning van de door de werknemer gevorderde transitievergoeding.