De rechtbank Rotterdam behandelde op 26 januari 2021 de zaak tegen verdachte die werd verdacht van medeplegen van een woninginbraak op 29 september 2020 in Rhoon, gemeente Albrandswaard, waarbij diverse goederen werden buitgemaakt. Daarnaast werd subsidiair heling van deze goederen ten laste gelegd.
Tijdens de terechtzitting op 12 januari 2021 werd vastgesteld dat de woninginbraak niet wettig en overtuigend was bewezen, waardoor verdachte daarvan werd vrijgesproken. Ten aanzien van de heling stelde de officier van justitie dat verdachte een laptop met opzet en een auto en sieraden met schuld had voorhanden gehad, waarbij redelijkerwijs moest worden vermoed dat deze goederen door misdrijf waren verkregen.
De rechtbank oordeelde echter dat de tenlastelegging onjuist was geformuleerd omdat de heling werd toegeschreven aan de plaats Rhoon, terwijl verdachte de auto bij zijn woning in Rotterdam had voorhanden gehad. Hierdoor kon verdachte niet worden veroordeeld voor heling op de genoemde plaats. Bovendien kon niet worden vastgesteld dat verdachte zich schuldig had gemaakt aan opzet- of schuldheling van de overige goederen.
Omdat geen van de feiten wettig en overtuigend was bewezen, sprak de rechtbank verdachte integraal vrij. Tevens werd de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde ISD-maatregel afgewezen en de gevorderde verlenging van de proeftijd niet toegewezen.