De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond om de gesloten jeugdhulp voor een minderjarige te verlengen met drie maanden. De minderjarige verbleef reeds op basis van een spoedmachtiging voor vier weken in een gesloten accommodatie. Tijdens de zitting waren de minderjarige, haar moeder en een vertegenwoordiger van de GI aanwezig; de vader was niet verschenen.
De gedragswetenschapper die de minderjarige onderzocht, stemde slechts in met de spoedmachtiging van vier weken en niet met de verlenging van drie maanden. De minderjarige en haar moeder zijn gemotiveerd om de afspraken na te komen en de veiligheid te waarborgen, onder meer met een stappenplan en een stoplichtsysteem. De GI handhaaft het verzoek niet meer en stemt in met terugkeer naar huis onder voorwaarden.
De kinderrechter oordeelt dat de voorwaarden voor verlenging van de machtiging gesloten jeugdhulp niet zijn vervuld, omdat de noodzakelijke instemming van de gedragswetenschapper ontbreekt en de betrokkenen instemmen met terugkeer. De machtiging wordt daarom opgeheven en het verzoek afgewezen. De kinderrechter benadrukt het belang van positieve ervaringen met hulpverlening en het behalen van het diploma van de minderjarige.
De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en kan binnen drie maanden worden aangevochten bij het gerechtshof Den Haag.