ECLI:NL:RBROT:2021:5919

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
19 mei 2021
Publicatiedatum
24 juni 2021
Zaaknummer
617588 / HA RK 21-455
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 37 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid wrakingsverzoek wegens te late indiening na zitting

Verzoekster, een besloten vennootschap, diende een wrakingsverzoek in tegen mr. J.B. Smits, rechter in de rechtbank Rotterdam, naar aanleiding van uitlatingen en gedragingen tijdens een zitting op 20 april 2021. De wrakingskamer oordeelde dat het verzoek niet tijdig was ingediend, aangezien het pas op 26 april 2021 werd ingediend, terwijl verzoekster bij die zitting aanwezig was en kennis kon nemen van de feiten waarop het verzoek was gebaseerd.

De rechtbank benadrukte dat een wrakingsverzoek onmiddellijk na het bekend worden van de feiten moet worden gedaan, waarbij een korte beraadtermijn acceptabel is. In dit geval werd de termijn ruimschoots overschreden. Verzoeksters argument dat zij tijd nodig had om het wrakingsmiddel zorgvuldig te overwegen, werd niet geaccepteerd als rechtvaardiging voor de vertraging.

Daarnaast overwoog de wrakingskamer dat zelfs indien het verzoek ontvankelijk was geweest, de geuite bezwaren onvoldoende waren om wraking toe te wijzen. Het actief stellen van kritische vragen door de rechter tijdens een comparitie van partijen is een normale taak en vormt geen grond voor wraking. De vermeende warrigheid van het voorlopige oordeel van de rechter bood eveneens geen aanleiding tot wraking.

De rechtbank verklaarde daarom het wrakingsverzoek niet-ontvankelijk en wees het af.

Uitkomst: Verzoekster is niet-ontvankelijk verklaard in het wrakingsverzoek wegens overschrijding van de termijn voor indiening.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Meervoudige kamer voor wrakingszaken
Zaaknummer / rekestnummer: 617588 / HA RK 21-455
Beslissing van 19 mei 2021
op het verzoek van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[naam vennootschap] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verzoekster,
advocaat mr. D.G. Lasschuit,
strekkende tot wraking van:
mr. J.B. Smits, rechter in de rechtbank Rotterdam, team Handel en Haven (hierna: de rechter).

1.Het procesverloop en de processtukken

Ter zitting van 20 april 2021 heeft ten overstaan van de meervoudige kamer, waarvan de rechter als voorzitter deel uitmaakt, een comparitie van partijen plaatsgevonden in de civielrechtelijke procedure tussen de vennootschap naar Italiaans recht [naam] S.P.A. als eiseres in conventie/verweerster in reconventie en verzoekster als gedaagde in conventie/eiseres in reconventie. Deze procedure heeft als kenmerk C/10/556081 / HA ZA 18-742.
Bij brief van 26 april 2021 heeft de advocaat van verzoekster wraking van de rechter verzocht.
Aan de wrakingskamer is ter beschikking gesteld het dossier van de hiervoor omschreven procedure, waarin zich onder meer bevindt het proces-verbaal van de hiervoor bedoelde zitting.
Verzoekster en de rechter zijn uitgenodigd voor de zitting waarop het wrakingsverzoek is behandeld. De advocaat van [naam] S.P.A., mr. M.W. Steenpoorte, heeft een kennisgeving van de zitting ontvangen. De rechter heeft van de geboden mogelijkheid om voorafgaande aan de zitting schriftelijk te reageren geen gebruik gemaakt.
Ter zitting van 11 mei 2021, waar het wrakingsverzoek is behandeld, zijn verschenen
T. Vermeulen namens verzoekster, de advocaat van verzoekster, de rechter en
mr. M.W. Steenpoorte.
De advocaat van verzoekster heeft aan de hand van een pleitnota zijn standpunt nader toegelicht. De rechter heeft ter zitting gereageerd op het wrakingsverzoek.

2.De ontvankelijkheid van het verzoek

2.1.
In de eerste plaats is aan de orde de vraag of het wrakingsverzoek tijdig is gedaan, namelijk zodra de feiten en omstandigheden waarop het wrakingsverzoek is gegrond aan verzoekster bekend waren geworden zoals artikel 37 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) vereist.
2.2.
De wrakingskamer is van oordeel dat dit niet het geval is en overweegt daartoe het volgende. Verzoekster heeft aan haar verzoek tot wraking ten grondslag gelegd uitlatingen en gedragingen van de rechter bij gelegenheid van de zitting op 20 april 2021. Verzoekster was, bijgestaan door haar advocaat, op die zitting tegenwoordig en heeft bij die gelegenheid kennis genomen van die uitlatingen en gedragingen.
Het is vaste jurisprudentie dat de zinsnede “zodra de feiten en omstandigheden bekend zijn” betekent dat een wrakingsverzoek dient te worden gedaan onmiddellijk na het bekend worden van de feitelijke grond tot wraking, waarbij een korte tijd voor beraad acceptabel is.
In dit geval is die termijn ruimschoots overschreden. De gewraakte gedragingen van de rechter hebben zich immers voorgedaan ter zitting van 20 april 2021, terwijl het verzoek tot wraking pas is ingediend op 26 april 2021.
2.3
Verzoekster heeft aangevoerd dat zij na de zitting de tijd heeft genomen om goed na te denken over het indienen van een wrakingsverzoek omdat zij dit een middel vindt dat niet lichtvaardig mag worden ingezet.
Naar het oordeel van de wrakingskamer had echter ook binnen deze context van verzoekster mogen worden verwacht dat zij het verzoek tot wraking uiterlijk binnen enkele dagen na de zitting van 20 april 2021 zou doen. Het indienen van het verzoek zes dagen na de zitting kan niet worden aangemerkt als “zodra de feiten of omstandigheden bekend zijn geworden”.
2.4
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verzoekster niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het wrakingsverzoek.
2.5
Ten overvloede overweegt de wrakingskamer nog het volgende:
Ook als verzoekster ontvankelijk was geweest, zou hetgeen zij aan haar wrakingsverzoek ten grondslag heeft gelegd onvoldoende grond vormen voor het toewijzen van het verzoek.
Het behoort immers tot de taak van de rechter om naar aanleiding van de stellingen van de partijen nader onderzoek te doen en zo nodig kritische vragen te stellen. Een comparitie van partijen heeft tot doel het verkrijgen van inlichtingen en het beproeven van een schikking. De rechter kan zich hierbij actief opstellen. In dat licht bezien geeft hetgeen verzoekster naar voren heeft gebracht geen aanleiding om aan te nemen dat er zich omstandigheden hebben voorgedaan die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens verzoekster een vooringenomenheid koesterde, althans dat de bij verzoekster dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd was.
De omstandigheid dat verzoekster het voorlopige oordeel van de rechter warrig en onnavolgbaar vond, wat daar verder ook van zij, levert evenmin grond voor wraking op.

3.De beslissing

De rechtbank:
- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in het verzoek tot wraking van
mr. J.B. Smits.
Deze beslissing is gegeven door mr. A.P. Hameete, voorzitter, mr. M. Fiege en
mr. W.P.M. Jurgens, rechters. Bij afwezigheid van de voorzitter en de oudste rechter is deze beslissing door mr. W.P.M. Jurgens in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2021 in tegenwoordigheid van mr. M.L.F. de Leeuw, griffier en door hen ondertekend.
Verzonden op:
aan:
- mr. D.G. Lasschuit
- mr. J.B. Smits
- mr. M.W. Steenpoorte
-