ECLI:NL:RBROT:2021:6095

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
8 juni 2021
Publicatiedatum
28 juni 2021
Zaaknummer
ROT 20/2070
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:74 APV Schiedam 2013Art. 5:32b AwbArt. 2 en 3 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging last onder dwangsom wegens overtreding APV artikel 2:74 drugshandel

De burgemeester van Schiedam legde aan eiser een last onder dwangsom op om herhaling van overtreding van artikel 2:74 van Pro de APV te voorkomen, met een maximale dwangsom van €10.000 per overtreding en €30.000 in totaal over twee jaar. Dit besluit volgde op een bestuurlijke rapportage waarin eiser werd aangehouden voor handel in verdovende middelen.

Eiser voerde beroep aan tegen het besluit en stelde dat de belangenafweging onjuist was, de rapportage onvolledig en ononderbouwd, en dat de dwangsom disproportioneel en willekeurig was vastgesteld. De rechtbank oordeelde dat de bestuurlijke rapportage voldoende was onderbouwd met processen-verbaal, politiegegevens en eerdere antecedenten van eiser.

De rechtbank vond dat de burgemeester de belangen zorgvuldig had afgewogen, rekening houdend met het gevaar van drugshandel, de handelshoeveelheid hasj en de antecedenten van eiser. De hoogte van de dwangsom werd als proportioneel en adequaat gemotiveerd beoordeeld. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de last onder dwangsom wegens overtreding van artikel 2:74 APV Schiedam is ongegrond verklaard.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 20/2070

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 juni 2021 in de zaak tussen

[naam eiser], z.w.o.v., eiser,

gemachtigde: mr. N. Talhaoui
en

de burgemeester van Schiedam, verweerder,

gemachtigde: mr. E. de Neef.

Procesverloop

Bij besluit van 13 november 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser een last onder dwangsom opgelegd om herhaling van overtreding van artikel 2:74 van Pro de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Schiedam 2013 (de APV) te voorkomen, waarbij de te verbeuren dwangsom is bepaald op € 10.000,- per geconstateerde overtreding, met een maximum van € 10.000,- per keer en een maximum van € 30.000,- in totaal, met een looptijd van twee jaar.
Bij besluit van 9 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 mei 2021
.Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

Overwegingen

1. Verweerder heeft aan het bestreden besluit de bestuurlijke rapportage van de Politie eenheid Rotterdam van 4 oktober 2019 ten grondslag gelegd. Daarin is onder meer vermeld dat eiser op 19 september 2019 is aangehouden te Schiedam voor de handel in verdovende middelen. Op basis van de rapportage acht verweerder het aannemelijk dat eiser artikel 2:74 van Pro de APV heeft overtreden. Het belang van het terugdringen van drugshandel rechtvaardigt het opleggen van een last onder dwangsom. De last staat in redelijke verhouding tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsom, aldus verweerder.
2. Eiser voert in beroep aan dat verweerder geen juiste belangenafweging heeft gemaakt en dat de bestuurlijke rapportage onvolledig is en niet is onderbouwd. Eiser betwist de in de rapportage beschreven bevindingen. Verder voert eiser aan dat de dwangsom disproportioneel is en dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd hoe de hoogte is vastgesteld, nu een dwangsom van € 5.000,- gebruikelijk is. Hierdoor is sprake van inconsistentie en willekeur.
De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.
3. In artikel 2:74 van Pro de APV is bepaald dat onverminderd het bepaalde in de Opiumwet het verboden is op of aan de openbare weg met de daarin gelegen portieken, galerijen, arcaden of nissen post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen, alsmede zich op of aan openbare wegen in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden, met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of aan te nemen of daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.
4. De beroepsgrond dat verweerder geen juiste belangenafweging heeft gemaakt en dat de bestuurlijke rapportage onvolledig is en niet is onderbouwd, slaagt niet. De bestuurlijke rapportage is gebaseerd op op ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal, politiemutaties en openbare bronnen. Uit de bestuurlijke rapportage blijkt dat op 19 september 2019 een voertuig midden op de weg stond en dat een man met een junkachtig uiterlijk daarvan wegliep. Nadat het voertuig was weggereden heeft de politie een stopteken gegeven. Eiser bleek de bestuurder van het voertuig. Bij controle en fouillering bleek eiser in bezit van 18 wikkels hasj van in totaal 53,47 gram, € 521,50 in contanten en meerdere mobiele telefoons. Bij onderzoek bleek voorts dat eiser vanaf 2012 antecedenten heeft ter zake van het vervaardigen van softdrugs en handel in harddrugs. Op grond hiervan heeft verweerder terecht aannemelijk geacht dat eiser artikel 2:74 van Pro de APV heeft overtreden.
Bij het opleggen van de last onder dwangsom heeft verweerder rekening gehouden met het gevaar en het leed waarmee handel in verdovende middelen gepaard gaat, de antecedenten van eiser, de bij hem aangetroffen handelshoeveelheid hasj en de grote financiële winsten in het drugscircuit. Verweerder heeft daarmee de in aanmerking komen belangen voldoende afgewogen. Eiser heeft niet onderbouwd dat er redenen zijn om te twijfelen aan hetgeen in de bestuurlijke rapportage is gerapporteerd. Evenmin heeft eiser onderbouwd met welke belangen verweerder ten onrechte geen rekening zou hebben gehouden.
5. De beroepsgrond dat de dwangsom disproportioneel is en dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd hoe de hoogte is vastgesteld, slaagt niet. Volgens artikel 5:32b, derde lid, van de Awb staat de dwangsom in redelijke verhouding tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de dwangsom. Verweerder heeft toegelicht dat bij het vaststellen van de hoogte van de dwangsom rekening is gehouden met de gevaren en het leed van de handel in verdovende middelen, het grote financiële gewin in het drugscircuit en de antecedenten van eiser. De hoogte van de dwangsom is daarmee voldoende gemotiveerd en staat in redelijke verhouding tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsom. Dat verweerder ook wel dwangsommen van minder dan € 10.000,- oplegt, zoals eiser aanvoert, doet niet af aan de in dit geval gegeven motivering en maakt niet dat sprake zou zijn van inconsistentie of willekeur.
6. Het beroep is ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Bedee, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Dijkhoff, griffier
.De uitspraak is in het openbaar gedaan op 8 juni 2021.
De griffier is buiten staat De rechter is verhinderd te tekenen
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.