De moeder verzocht de rechtbank om de schriftelijke aanwijzing van de gecertificeerde instelling (GI) van 21 juli 2020 geheel of gedeeltelijk te laten vervallen. Deze aanwijzing betrof de verzorging en opvoeding van haar minderjarige kind en bevatte verplichtingen omtrent het naleven van de omgangsregeling met de vader en medewerking aan ingezette hulpverlening.
De rechtbank stelde vast dat de moeder het verzoek tijdig had ingediend en dat de GI als bestuursorgaan zorgvuldigheid en motivering in acht moest nemen bij het geven van de aanwijzing. De moeder had haar zienswijze kenbaar gemaakt, maar de GI hield vast aan de aanwijzing. De rechtbank constateerde dat de omgang tussen de minderjarige en de vader sinds augustus 2020 niet meer had plaatsgevonden, ondanks een geldende omgangsregeling.
De rechtbank oordeelde dat de schriftelijke aanwijzing over het naleven van de omgangsregeling terecht was gegeven en in stand kon blijven. Echter, het deel van de aanwijzing over medewerking aan de hulpverlening was onvoldoende concreet en onduidelijk over welke hulpverlening het ging. Daarom verklaarde de rechtbank dit deel van de aanwijzing vervallen.
De beschikking werd op 25 juni 2021 door de kinderrechter uitgesproken, waarbij de schriftelijke aanwijzing deels verviel en deels gehandhaafd bleef.