Verzoekster diende een verzoek in op grond van artikel 287a Faillissementswet om de Sociale Verzekeringsbank (SVB) te bevelen in te stemmen met een schuldregeling die zij had aangeboden. De SVB weigerde mee te werken vanwege een vordering uit hoofde van een vermeende fraude met kinderbijslag en beriep zich op artikel 24c lid 2 Algemene Kinderbijslagwet.
De rechtbank stelde vast dat twaalf van de dertien schuldeisers akkoord waren met de regeling, die gebaseerd was op de NVVK-norm en een saneringskrediet omvatte. Verzoekster ontvangt een Participatiewet-uitkering en heeft geen inkomen uit werk. De rechtbank beoordeelde dat het voorstel het uiterste was wat verzoekster kon bieden en dat het gunstiger was voor schuldeisers dan een wettelijke schuldsaneringsregeling.
De rechtbank oordeelde dat de belangen van verzoekster en de overige schuldeisers zwaarder wegen dan die van de SVB, die slechts een gering deel van de schuldenlast vertegenwoordigt. De weigering van de SVB werd daarom onredelijk geacht. Het verzoek tot dwangakkoord werd toegewezen, de SVB werd veroordeeld in de proceskosten en het subsidiaire verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling werd afgewezen.