Verzoeker heeft een schuldregeling aangeboden aan zijn schuldeisers waarbij preferente schuldeisers 3,99% en concurrente schuldeisers 1,99% van hun vordering ontvangen. Negen van de tien schuldeisers stemden hiermee in, behalve Nationale Nederlanden met een vordering van bijna 30% van de totale schuldenlast. Nationale Nederlanden weigerde mee te werken omdat zij meende dat verzoeker niet voldeed aan zijn inspanningsverplichting.
De rechtbank stelt vast dat het aanbod is gebaseerd op de NVVK-norm en dat verzoeker geen betaald werk heeft, maar een uitkering geniet en begeleid wordt naar werk. Het voorstel is getoetst door schuldhulpverlening en goed gedocumenteerd. De rechtbank oordeelt dat het aanbod het uiterste is wat van verzoeker kan worden verwacht en dat de belangen van verzoeker en de overige schuldeisers zwaarder wegen dan die van Nationale Nederlanden.
De rechtbank beveelt Nationale Nederlanden om in te stemmen met het akkoord en veroordeelt haar in de proceskosten. Het subsidiaire verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt afgewezen omdat de dwangakkoordregeling een gunstiger resultaat oplevert voor schuldeisers. Het vonnis treedt in de plaats van vrijwillige instemming en is uitvoerbaar bij voorraad.