Verzoekster diende op 24 februari 2021 een verzoek in tot opheffing van haar faillissement van 21 augustus 2018 met gelijktijdige toepassing van de schuldsaneringsregeling (WSNP). De curator gaf een negatief advies, mede vanwege een bestuurlijke boete voor een hennepkwekerij in een door verzoekster verhuurde woning en het ontbreken van instemming van een schuldeiser.
De rechtbank beoordeelde eerst de ontvankelijkheid van het verzoek. Gezien de omstandigheden, waaronder een taalbarrière en stress, kon niet worden geoordeeld dat verzoekster het WSNP-verzoek niet tijdig had ingediend wegens haar eigen toerekenbare omstandigheden. Verzoekster was niet aanwezig op de faillissementszitting en had geen WSNP-verzoek ingediend vóór het faillissement.
Vervolgens werd de goede trouw van verzoekster beoordeeld. De rechtbank vond onvoldoende aanwijzingen dat de schulden niet te goeder trouw waren ontstaan, ondanks de bestuurlijke boete. Verzoekster had ook voldoende motivatie getoond om de verplichtingen van de schuldsaneringsregeling na te komen, met hulp van haar meerderjarige kinderen en de intentie om fulltime te werken.
De rechtbank besloot het faillissement op te heffen en de schuldsaneringsregeling toe te passen, stelde het salaris van de curator en verschotten vast, en benoemde een rechter-commissaris en bewindvoerder. Verzoekster kreeg het voordeel van de twijfel en een kans om schulden af te lossen onder de regeling.