ECLI:NL:RBROT:2021:6391
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde tussenwoning en redelijkheid OZB-tarieven gemeente Delft
Eiser betwist de vastgestelde WOZ-waarde van zijn tussenwoning aan een adres te Delft voor het belastingjaar 2020, stellende dat de waarde te hoog is vastgesteld op €508.000,- en dat de tarieven van de Onroerendezaakbelasting (OZB) onredelijk zijn.
De rechtbank overweegt dat de waarde is bepaald op basis van verkoopcijfers van vergelijkbare woningen rond de waardepeildatum 1 januari 2019, waarbij verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de waardering niet te hoog is. De taxatierapporten en waardematrix tonen dat de m³-prijs van de onroerende zaak lager is dan die van vergelijkingsobjecten, ondanks discussie over onderhoudstoestand en doelmatigheid.
Verder oordeelt de rechtbank dat de vaststelling van de OZB-tarieven een beleidsvrijheid van de gemeenteraad betreft en dat de gehanteerde tarieven van 0,11910% en 0,29016% van de WOZ-waarde niet onredelijk zijn. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde en OZB-tarieven wordt ongegrond verklaard.