Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
beschikking
[naam minderjarige] ,
[naam moeder] ,
[naam vader] ,
Het procesverloop
De feiten
Het verzoek en het standpunt van de GI
Het standpunt van belanghebbenden
De beoordeling
De beslissing
Den Haag.
Rechtbank Rotterdam
De minderjarige is sinds juni 2020 onder toezicht gesteld vanwege ernstige ontwikkelingsbedreiging en escalaties binnen de thuissituatie. De gecertificeerde instelling (GI) verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling voor een jaar, onderbouwd met het belang van voortzetting van hulpverlening via DwarsDoen en de rol van de jeugdbeschermer.
Tijdens de zitting werd duidelijk dat de ouders, met name de moeder, actief hulpverlening initiëren en dat de minderjarige positieve ontwikkelingen doormaakt. De vader is tegen verlenging en ziet geen meerwaarde in de betrokkenheid van de GI. De samenwerking tussen de GI en de ouders, vooral de vader, verloopt moeizaam.
De kinderrechter concludeert dat de hulpverlening zonder de GI kan worden voortgezet en dat het wettelijke criterium voor verlenging van de ondertoezichtstelling niet is vervuld. De beschikking wijst daarom het verzoek tot verlenging af, met het advies dat de ouders en minderjarige blijven werken aan hun ontwikkeling en dat hulpverlening via DwarsDoen wordt voortgezet.
Uitkomst: Het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling wordt afgewezen wegens onvoldoende meerwaarde van de GI en verbeterde thuissituatie.