4.29.SECC heeft diverse brieven, facturen, overeenkomsten, gedeeltes van liftboeken en foto's van liften overgelegd waaruit volgens haar blijkt dat de betrokken Claimhouder (indirect) producten en/of diensten heeft afgenomen van één of meer van de Kartellisten. Hierna wordt bij iedere Claimhouder tussen haakjes het nummer vermeld waaronder die Claimhouder voorkomt op de Lijst die is weergegeven onder 4.11 van het eerste tussenvonnis.
4.29.1.SECC heeft een aan AMEV Levensverzekering N.V. gerichte factuur van 25 januari 2002 van het Liftinstituut overgelegd. Deze kan niet dienen als onderbouwing van enige schade omdat niet is onderbouwd dat AMEV Levensverzekering N.V. de rechtsvoorganger van ASR Levensverzekering N.V. (2) is. Daarom heeft SECC niet duidelijk gemaakt dat het in de factuur genoemde onderhoud door Mitsubishi in opdracht van ASR Levensverzekering N.V. is verricht. De eveneens overgelegde verklaring van het hoofd bouwtechnisch management (hierna: de Verklaring) maakt daarover ook niets duidelijk. Deze houdt in dat er in de inbreukperiode liften en roltrappen zijn gekocht en/of moderniserings- en/of onderhoudsdiensten zijn afgenomen. Deze informatie is onvoldoende concreet.
4.29.2.SECC heeft een brief van 23 maart 1994 van AMEV Vastgoed Beheer N.V. overgelegd waarin Schindler Liften wordt verzocht liftinstallaties te onderhouden conform de uitgebrachte offerte. Deze opdracht is verstrekt vóór aanvang van de inbreukperiode. Verder is niet duidelijk geworden dat AMEV Vastgoed Beheer N.V. de rechtsvoorganger is van ASR Nederland Vastgoed Maatschappij N.V. (3). De eveneens overgelegde Verklaring maakt dit evenmin duidelijk. De mogelijkheid van schade is niet aannemelijk geworden.
4.29.3.SECC heeft ter onderbouwing van de mogelijkheid van schade van de volgende vennootschappen alleen de Verklaring overgelegd. Deze is te algemeen en maakt daarom de mogelijkheid van schade van ASR Dutch Prime Retail Custodian B.V. (4), Stichting Beheer Boogaard (7), Stichting Beheer Kalvershof (8), ASR Property Fund N.V. (9) en/of ASR Schadeverzekering N.V. niet aannemelijk. Daarnaast is niet komen vast te staan dat ASR Schadeverzekering N.V. haar vordering aan SECC heeft gecedeerd.
4.29.4.SECC heeft een aan Antoni van Leeuwenhoek Ziekenhuis gerichte factuur van 30 augustus 2002 van Kone overgelegd. Daarin is niet vermeld wanneer de onderliggende overeenkomst tot stand is gekomen. Daarom is op grond van deze factuur de mogelijkheid van schade van Stichting Het Nederlands Kanker Instituut - Antoni van Leeuwenhoek Ziekenhuis (10) niet aannemelijk geworden.
4.29.5.SECC heeft een aan Bouwbedrijf Van Grunsven B.V. te Erp (11) gerichte brief van 1 oktober 2002 van Kone overgelegd waarbij een opdrachtbevestiging voor een liftinstallatie wordt geaccepteerd. Ook de opdrachtbevestiging van Bouwbedrijf Van Grunsven, aan Kone toegezonden op 28 november 2001, is overgelegd.
SECC heeft een aan Schindler gerichte brief van 29 oktober 2003 van Bouwbedrijf Van Grunsven te Nijmegen (12) overgelegd waarbij een opdrachtbevestiging voor een liftinstallatie is toegezonden.
Uit deze brieven is op te maken dat de onderhandelingen over deze liftinstallaties en het sluiten van de overeenkomsten ter zake hebben plaatsgevonden tijdens de inbreukperiode. Dit maakt dat de mogelijkheid van schade aannemelijk is.
4.29.6.SECC heeft een bestek voor het onderhoud van transportinstallaties (ook liften) overgelegd dat op 26 januari 1999 (dus binnen de kartelperiode van ThyssenKrupp) is overeengekomen tussen Magazijn De Bijenkorf B.V. (13) en Thyssen de Reus B.V. Hieruit wordt voldoende duidelijk dat de mogelijkheid van schade aannemelijk is.
4.29.7.SECC heeft een aan Amsterdam Airport Schiphol gerichte brief van 9 januari 2003 van Otis overgelegd waarin een offerte is opgenomen voor service aan liften, roltrappen en dergelijke op Schiphol. Kone c.s. hebben hierop niet gereageerd. De rechtbank gaat er daarom van uit dat een overeenkomst tot stand is gekomen. Gelet op de datum van de brief is de mogelijkheid dat Schiphol Nederland B.V. (14) schade heeft geleden aannemelijk.
4.29.8.SECC heeft onder meer twee door het Liftinstituut afgegeven certificaten van deugdelijkheid van de door Thyssen De Reus B.V. in 2000 verrichte installatie van rolpaden overgelegd; de keuring is op 11 augustus 2000 verricht. Hieruit is op te maken dat in de inbreukperiode door ThyssenKrupp rolpaden zijn geïnstalleerd die eigendom zijn van C&A Nederland B.V. (15). Dat leidt ertoe dat de mogelijkheid van schade aannemelijk is. Dat op schildplaatjes is vermeld dat de rolpaden vervaardigd zijn door ThyssenKrupp Fahrtreppen GmbH is geen aanleiding voor een ander oordeel, nu Thyssen De Reus B.V. de installatie en kennelijk de levering heeft verricht.
4.29.9.SECC heeft onder meer een certificaat van goedkeuring voor een lift in het geding gebracht waarop is vermeld dat Stadsdeel Nieuw West Gemeente Amsterdam eigenaar is van die lift, dat deze geïnstalleerd is in 2002 en dat Kone de fabrikant is. Kone c.s. hebben aangevoerd dat deze lift in opdracht is geïnstalleerd van V.O.F. De Geuzenbaan, een combinatie tussen Ballast Nedam en VolkerWessels.
Overwogen wordt dat gebruikelijk is dat Kone wordt betaald voor haar werkzaamheden en dat deze betaling (uiteindelijk) ten laste van de eigenaar komt
.Ook als sprake is van een aannemerscombinatie die ten behoeve van de eigenaar de opdracht geeft aan de installateur (of de bestelling bij de fabrikant plaatst.) SECC heeft niet aangevoerd dat dat in dit geval anders was. Nu aannemelijk is dat de kosten voor rekening van Gemeente Amsterdam (19) zijn gekomen en de opdracht in de inbreukperiode is gegeven, is de mogelijkheid van schade aannemelijk.
De overige overgelegde documenten zien op de periode van ná de inbreuk.
4.29.10.SECC heeft een servicecontract overgelegd dat in juni 2002 is gesloten tussen Kone en de afdeling Stadstoezicht van Gemeente Rotterdam (20). Nu dit contract tot stand is gekomen gedurende de inbreukperiode is de mogelijkheid van schade aannemelijk. Kone c.s. hebben aangevoerd dat het servicecontract een Monospace lift betrof en dat zij tot 2000/2001 de enige was die deze lift aanbood zodat geen sprake kan zijn van inbreukmakende gedragingen. Dit verweer gaat niet op, reeds omdat het servicecontract in juni 2002 tot stand is gekomen toen volgens de eigen stellingen van Kone wel werd geconcurreerd.
4.29.11.SECC heeft een onderhoudsovereenkomst overgelegd die op 15 januari 1999 is gesloten tussen Rotterdamse Electrische Tram N.V. (21) en Lohdijk Liften B.V. Zij heeft voorts een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel overgelegd waarin is vermeld dat Thyssen Liften B.V. sinds 31 maart 1998 enig aandeelhouder was van Lohdijk Liften B.V. en deze vennootschap op 7 januari 2003 is gefuseerd met ThyssenKrupp. Nu ThyssenKrupp vanaf 15 april 1998 is gestart met inbreukmakende handelingen, is aannemelijk dat de onderhoudsovereenkomst daardoor is beïnvloed en is de mogelijkheid van schade eveneens aannemelijk.
4.29.12.De door SECC overgelegde overeenkomst onderhoud liftinstallaties FM panden, die in januari 2006 gesloten is tussen ING Bank N.V. (22) en Otis, dateert van ná de inbreukperiode en kan daarom niet dienen om de mogelijkheid van schade aannemelijk te maken. De verklaring van medewerkers van ING Bank N.V. is daarvoor te algemeen van aard.
4.29.13.SECC heeft onder meer foto's overgelegd van in diverse liften vermelde informatie. In een lift op Station Amsterdam Amstel is de naam Lohdijk Liften B.V. vermeld en het bouwjaar 2002. In een lift op Station Schiedam is de naam Kone, het bouwjaar 2002 en het installatienummer vermeld. De derde lift op Station Lage Zwaluwe bevat geen gegevens over de fabrikant of leverancier.
Met betrekking tot de lift op Station Amsterdam Amstel wordt overwogen dat aannemelijk is dat de overeenkomst voor de installatie is gegeven in de inbreukperiode en dat, zoals reeds overwogen, gebruikelijk is dat de eigenaar de kosten daarvan draagt. Met betrekking tot de lift op Station Schiedam houdt de rechtbank het ervoor dat in de inbreukperiode in opdracht van ProRail (23) een lift is geïnstalleerd op Station Schiedam. Indien Kone c.s. van mening zouden zijn dat dit onjuist is, had het op hun weg gelegen om aan de hand van Kones administratie - die naar zij in een eerder stadium hebben opgemerkt is ingericht op liftnummer (installatienummer) - aan te geven met welke entiteit Kone een overeenkomst heeft gesloten tot het installeren van deze lift. Aannemelijk is daarom dat ProRail mogelijk schade heeft geleden.
Voor het overige volgt dat niet uit de overgelegde stukken, deze dateren van vóór en ná de inbreukperiode.
4.29.14.SECC heeft het volgende overgelegd:
1) een servicecontract dat op 17 juli 2003 door Hismar Beheer B.V. met Kone is gesloten,
2) een brief over prijsindexering van 11 november 2004 van Kone aan Ziog Holding B.V.,
3) brieven van 17 oktober 2003 en 27 oktober 2004 van Kone aan Hismar Beheer B.V. telkens handelend over indexering van onderhoudscontracten,
4) brieven van 1 november 2005 van Kone aan [naam] p/a Re-z Beheer B.V. over indexering van onderhoudscontracten,
5) een keuringsovereenkomst die op 20 december 2003 is gesloten door [naam] van Hismar Beheer met het Liftinstituut.
SECC heeft - onbestreden - aangevoerd dat Hismar Beheer B.V. de rechtsvoorganger is van Re-z Beheer B.V. (24) en Ziog Holding de rechtsvoorganger van Re-z Participaties I B.V. (25).
Kone c.s. hebben het verweer gevoerd dat Re-z Participaties I B.V. en mr. [naam] zelf geen producten of diensten hebben afgenomen. Volgens hen moet de schadelijdende vennootschap schadevergoeding vorderen, ook ten behoeve van de bescherming van de belangen van achterliggende partijen. SECC heeft aangevoerd dat zij niet kan uitsluiten dat Re-z Participaties I B.V. ten behoeve van diverse Re-Z firma's is opgetreden. SECC heeft door dit niet te concretiseren niet aannemelijk gemaakt dat Re-z Participaties I B.V. schade heeft geleden. Verder is uit de overgelegde stukken af te leiden dat mr. Ziengs is opgetreden namens Re-z Beheer. Daarom is - zonder onderbouwing - niet aannemelijk dat hij een eigen financieel belang heeft. De brieven van 27 oktober 2004, 11 november 2004 en 1 november 2005 zien op de periode na de kartelinbreuk.
Ten aanzien van Re-z Beheer B.V. hebben Kone c.s. geen verweer gevoerd. De rechtbank acht aannemelijk dat zij mogelijk schade heeft geleden vanwege het onder 1) genoemde servicecontract en de onder 3) genoemde brief van 17 oktober 2003 over indexering.
4.29.15.SECC heeft een contractaanhangsel bij de met Sint Franciscus Gasthuis gesloten serviceovereenkomst van 1 november 1975 overgelegd, welk aanhangsel op 13 maart 2002 door Otis is ondertekend. Daarbij zijn de prijzen van de serviceovereenkomst naar het prijspeil van 1 januari 2002 opnieuw vastgesteld. Daarnaast is een onderhoudscontract overgelegd dat op 8 maart 2002 door Otis en Sint Franciscus Gasthuis is gesloten. Dat betekent dat rechtstreeks met één van de Kartellisten is gecontracteerd. De mogelijkheid dat Stichting Sint Franciscus Vlietland Groep (27) als rechtsopvolger van Sint Franciscus Gasthuis schade heeft geleden is gelet op de datum van totstandkoming van de overeenkomst aannemelijk.
4.29.16.SECC heeft een aan SPF Beheer B.V. (28) gerichte opdrachtbevestiging overgelegd van Kone van 31 augustus 2000 voor onderhoud aan drie liftinstallaties. Kone c.s. hebben aangevoerd dat eenmalig onderhoud niet onder de inbreuk valt. Die stelling is onjuist. De inbreuk betreft onder meer onderhoudsdiensten aan liften en roltrappen. In de beschikking van de Commissie is vermeld:
"(12) Maintenance services of elevators and escalators will be used in the broader sense and include maintenance services and repair services.
(13) Maintenance services are provided with varying content. Generally, undertakings provide monitoring and prevention service (for example, actively informing elevator and escalator owners and building managers about upcoming maintenance requirements) as well as repair and replacements of spare parts."
Nu de term
maintenancein brede zin gehanteerd wordt en daaronder ook - vaak eenmalige - reparaties vallen, begrijpt de rechtbank onder deze term ook eenmalig onderhoud. De beschikking biedt geen aanknopingspunt voor de juistheid van de stelling van Kone c.s.
Uit voornoemde opdrachtbevestiging blijkt dat de werkzaamheden bestonden uit het vervangen van de tractieschijf, het vervangen van de staaldraadkabels en het vervangen van de verende elementen van de kabelophanging. Dit betreft reparatie en vervanging van onderdelen en valt daarmee onder de reikwijdte van de inbreuk. Dat betekent dat de mogelijkheid van schade als gevolg van deze overeenkomst aannemelijk is.
4.29.17.SECC heeft aangevoerd dat Strukton Groep N.V. (31) de moedermaatschappij is van vier cedenten die rechtstreeks diensten hebben afgenomen van Kartellisten en dat Strukton Groep N.V. daarom mogelijk schade heeft geleden. Nu SECC dit standpunt in het geheel niet heeft geconcretiseerd, is niet aannemelijk dat Strukton Groep N.V. mogelijk schade heeft geleden.
4.29.18.SECC heeft een in april 2006 gesloten servicecontract van "Stichting De Samenwerking", Pensioenfonds voor het Slagersbedrijf (37) met Kone overgelegd. Voorts is een notariële akte overgelegd waaruit de eigendom van het pand met liften blijkt. Nu de overeenkomst buiten de inbreukperiode is gesloten, is de mogelijkheid van schade niet aannemelijk geworden. Het overgelegde liftboek brengt hierin geen verandering; daarin is vermeld dat de liftinstallatie in 1997 in gebruik genomen is, derhalve vóór de inbreukperiode terwijl er geen datum van een onderhoudsovereenkomst is vermeld.
4.29.19.SECC heeft een serviceovereenkomst overgelegd die op 30 juli 2002 door BPF Wonen met Kone is gesloten. SECC heeft daarbij aangevoerd dat Bedrijfspensioenfonds Wonen een rechtsvoorganger is van Stichting Pensioenfonds Wonen (38). Zij heeft daarvoor echter geen onderbouwing gegeven. Daarom volgt uit de overgelegde documenten niet dat de mogelijkheid van schade voor Stichting Pensioenfonds Wonen aannemelijk is.
4.29.20.SECC heeft een in oktober 2000 door Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de landbouw (39) met Kone gesloten onderhoudsovereenkomst overgelegd. Nu deze overeenkomst is gesloten in de inbreukperiode, is de mogelijkheid van schade aannemelijk.
4.29.21.SECC heeft een serviceovereenkomst overgelegd die Stichting Pensioenfonds voor het Kruideniersbedrijf op 4 september 1996 heeft gesloten met Otis. Ook heeft zij een liftboek met aantekeningen over tijdstippen van het onderhoud overgelegd van een door Kone in 1997 geleverde lift. Uit dit alles wordt niet duidelijk dat in de inbreukperiode een overeenkomst is gesloten op grond waarvan voor Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor het levensmiddelenbedrijf (40) de mogelijkheid van schade aannemelijk is geworden.
4.29.22.SECC heeft onder meer een servicecontract overgelegd dat in juni 2003 door Woningcorporatie Domijn met Kone is gesloten. Dat leidt ertoe dat de mogelijkheid aannemelijk is geworden dat Woningstichting Domijn (41) schade heeft geleden. Anders dan Kone heeft aangevoerd maakt de omstandigheid dat het gaat om een Monospace lift dit om de onder 4.29.10 genoemde reden niet anders.
4.29.23.SECC heeft aangevoerd dat Delta Lloyd N.V. (42), Delta Lloyd Vastgoed Ontwikkeling B.V. (44) en Dellvom (45) vanwege de concernrelaties, in samenhang met de binnen de groep afgenomen producten en diensten mogelijk (indirect) schade hebben geleden. Zonder onderbouwing is een dergelijke stelling onvoldoende: de mogelijkheid van schade is niet aannemelijk geworden.
Dit geldt ook voor CBRE Dutch Retail Fund I B.V. (51), Consortium Beursplein v.o.f. (52), Dof Bewaar Maatschappij B.V (54), Dof Bewaar Maatschappij B.V. II (55), Dof Development Fund C.V. (56), Dof Master Fund C.V. (57), Dof Master Fund II C.V. (58), Dof Vastgoed Kantoren C.V. (59), DRES Bewaar Maatschappij B.V. (60), DRES Development Fund C.V. (61), DRES Master Fund C.V. (62), DRES Master Fund II B.V. (63), DRES Vastgoed Woningen C.V. (64), DRET Bewaar Maatschappij B.V. (65), DRET Development Fund C.V. (66), DRET Master Fund C.V. (67), DRET Vastgoed Winkels C.V. (68), Jetta Vastgoed B.V. (70), REI fund Netherlands B.V. (72), REI Netherlands Amstelveenseweg B.V. (73), REI Netherlands Development B.V. (74), Onroerend Goed Beheer Maatschappij Bogardeind Geldrop B.V. (113), Onroerend Goed Beheer Maatschappij Capelle aan den IJssel B.V. (114), Onroerend Goed Beheer Maatschappij Danny Kayelaan Zoetermeer B.V. (115), Onroerend Goed Beheer Maatschappij lJsselmeerweg Naarden B.V. (116), Onroerend Goed Beheer Maatschappij Kruisweg Hoofddorp B.V. (117), Onroerend Goed Beheer Maatschappij Maas Best B.V. (118) en Onroerend Goed Beheer Maatschappij Van Alphenstraat Zandvoort B.V. (119).
Hetzelfde geldt voor H&M Hennes & Mauritz AB (79).
4.29.24.SECC heeft afdrukken overgelegd van interne betaalsystemen van Delta Lloyd Vastgoed Woningen (47) en Delta Lloyd Vastgoed Winkels (48) waarop betalingen aan liftfabrikanten zijn vermeld. Hieruit is op te maken dat het onder meer gaat om een vernieuwing van een bestaande lift. Nu deze betaling in 2001 heeft plaatsgevonden is aannemelijk dat de overeenkomst waarbij opdracht is gegeven voor de vernieuwing in de inbreukperiode is gesloten. Dat betekent dat de mogelijkheid van schade aannemelijk is geworden.
De mogelijkheid van schade voor FSMC NL Property Group B.V. (50) is niet aannemelijk geworden. De algemene verklaring van een medewerker brengt hierin geen verandering.
4.29.25.SECC heeft diverse serviceovereenkomsten overgelegd die door Kantoren Fonds Nederland met Mitsubishi en Kone zijn gesloten. SECC heeft daarbij aangevoerd dat Kantoren Fonds Nederland de rechtsvoorganger is van Real Estate Office Fund Netherlands B.V. (71), maar zij heeft dat niet onderbouwd. Derhalve is de mogelijkheid van schade niet aannemelijk geworden.
4.29.26.SECC heeft aangevoerd dat N.S. Stations B.V. (75) mogelijk schade heeft geleden vanwege haar verbondenheid met ProRail en omdat zij de economische eigendom heeft van de zogenaamde gemengde infraruimte, waartoe onder andere de stationsgebouwen behoren. Nu SECC niet heeft geconcretiseerd dat N.S. Stations B.V. met (één van) de Kartellisten heeft gecontracteerd dan wel dat zij op andere wijze schade heeft geleden vanwege via derden van de Kartellisten afgenomen producten en diensten, is de mogelijkheid van schade niet aannemelijk geworden.
4.29.27.SECC heeft aangevoerd dat zij niet kan uitsluiten dat Xelat Recrea BV. (76) vanwege de concernrelaties - zij is aandeelhouder van Apple Park Maastricht B.V. en Hotel Derlon Maastricht B.V. - indirect schade heef geleden. Nu SECC daarvan in het geheel geen onderbouwing heeft gegeven, is de mogelijkheid van schade niet aannemelijk geworden.
4.29.28.SECC heeft een aan Apple Park Maastricht B.V. (77) gerichte brief van 27 mei 1998 van Kone met een opdrachtbevestiging van een serviceovereenkomst en een onderhoudsaanbieding van 11 mei 1998 overgelegd. Nu deze documenten dateren uit de periode voorafgaand aan de kartelinbreuk, is daarmee de mogelijkheid van schade niet aannemelijk geworden.
4.29.29.SECC heeft een aan Hotel Derlon Maastricht B.V. (78) gerichte factuur van 2 december 2002 overgelegd waarbij Otis de kosten van de (eerder gesloten) serviceovereenkomst in rekening heeft gebracht. Nu niet duidelijk is wanneer de serviceovereenkomst is gesloten, kan er niet van worden uitgegaan dat het bedrag is beïnvloed door marktverdelingsafspraken. De mogelijkheid van schade is niet aannemelijk geworden.
4.29.30.SECC heeft een aan Hennes & Mauritz gerichte factuur van 21 september 2001 van Kone overgelegd waarbij een eerste termijn van een opdracht voor een lift in rekening is gebracht. Volgens Kone kan de hoogte van dit bedrag niet beïnvloed zijn door marktverdelingsafspraken omdat het een Monospace lift betreft. Dit verweer gaat niet op om de onder 4.29.10 vermelde reden. Nu het gaat om de eerste termijn terwijl Kone toen al twee jaar deelnam aan de kartelinbreuk, is de mogelijkheid van schade voor H&M Hennes & Mauritz Netherlands B.V. (80) aannemelijk.
4.29.31.SECC heeft wat betreft Krasnapolsky Hotels & Restaurants N.V. (81) (een deel van) het technisch dossier liftinstallatie overgelegd. Daarin is vermeld dat Krasnapolsky Hotels & Restaurants N.V. (81) eigenaar is van een door Otis geleverde lift die in 2001 door Otis is omgebouwd. Gelet op het tijdstip van de ombouw is aannemelijk dat de overeenkomst daartoe in de inbreukperiode is gesloten. Derhalve is de mogelijkheid van schade voor Krasnapolsky Hotels & Restaurants N.V. (81) aannemelijk.
4.29.32.SECC heeft aangevoerd dat vennootschappen die behoren tot de NH Exploitatiemaatschappijen in de inbreukperiode producten en diensten hebben afgenomen van liftenfabrikanten. Zij heeft ter onderbouwing hiervan een lijst met liftinstallaties overgelegd en verwezen naar 'voorbeeldliftboeken'. Uit deze lijst en de 'voorbeeldliftboeken' blijkt niet dat de betreffende hotels in de inbreukperiode overeenkomsten hebben gesloten of anderszins transacties zijn aangegaan waarbij de prijs beïnvloed is door de marktverdelingsafspraken.
De mogelijkheid van schade is voor Atlantic Hotel Exploitatie B.V. (82), De Sparrenhorst B.V. (83), Exploitatiemaatschappij Caransa Hotel B.V. (84), Exploitatiemaatschappij Doelen Hotel B.V. (85), Exploitatiemaatschappij Hotel Best B.V. (86), Exploitatiemaatschappij Hotel Naarden B.V. (87), Exploitatiemaatschappij Schiller Hotel B.V. (88), Highmark Geldrop B.V. (89), Highmark Hoofddorp B.V. (90), Hotel de Ville B.V. (91), Hotelexploitatiemaatschappij Atlanta Rotterdam (93), Hotelexploitatiemaatschappij Capelle aan de IJssel B.V. (94), Hotelexploitatiemaatschappij Danny Kayelaan Zoetermeer B.V. (95), Hotelexploitatiemaatschappij Forum Maastricht (96), Hotelexploitatiemaatschappij Jaarbeursplein Utrecht B.V. (97), Hotelexploitatiemaatschappij Janskerkhof Utrecht B.V. (98), Hotelexploitatiemaatschappij Marquette Heemskerk B.V. (99), Hotelexploitatiemaatschappij Stationsstraat Amersfoort B.V. (100), Hotelexploitatiemaatschappij Leijenberghlaan Amsterdam B.V. (101), Koningshof B.V.(102), Leeuwenhorst Congres Center B.V. (103), Hotelexploitatiemaatschappij Stadhouderskade Amsterdam B.V. (105), Hotelexploitatiemaatschappij Spuistraat Amsterdam B.V. (107), Hotelexploitatiemaatschappij Epen Zuid-Limburg B.V. (108), Hotelexploitatiemaatschappij Onderlangs Arnhem B.V. (109), Libération Exploitatie B.V. (110), Hotelexploitatiemaatschappij van Alphenstraat Zandvoort B.V. (111), Onroerend Goed Beheer Maatschappij Atlanta Rotterdam B.V. (112), Restaurant d’Vijff Vlieghen B.V. (120), Jan Tabak N.V. (121) en Vela Secunda Omnium Primum VIII B.V. (122) niet aannemelijk geworden.
4.29.33.SECC heeft een deel van het liftboek overgelegd van Hotel Carlton dat mogelijk de rechtsvoorganger is van Hotelexploitatiemaatschappij Vijzelstraat Amsterdam B.V. (92). Daarin is vermeld dat Otis de leverancier is van de in 1989 in gebruik genomen lift. Voorts is daarin op papier met het logo van Otis onder meer vermeld op welke momenten zich in de inbreukperiode storingen hebben voorgedaan. Uit dit alles wordt niet duidelijk of in de inbreukperiode een overeenkomst is gesloten. De mogelijkheid van schade voor Hotelexploitatiemaatschappij Vijzelstraat Amsterdam B.V. is niet aannemelijk is geworden.
4.29.34.SECC heeft een deel van het liftboek van Golden Tulip Museum Quarter B.V. (104) overgelegd, waarin Kone als fabrikant is vermeld van een lift die in 2000 is geïnstalleerd. Hiermee is voldoende aannemelijk dat in de inbreukperiode een overeenkomst is gesloten; toen de lift geïnstalleerd werd was Kone een half jaar betrokken bij het Liftenkartel zodat de betreffende overeenkomst waarschijnlijk in de inbreukperiode tot stand is gekomen. De mogelijkheid van schade is aannemelijk geworden. SECC heeft ook aantekeningen van in de inbreukperiode door Schindler en ThyssenKrupp uitgevoerde onderhoudsbeurten overgelegd, maar daarbij niet duidelijk gemaakt dat de overeenkomsten op grond waarvan de werkzaamheden zijn verricht in de inbreukperiode tot stand zijn gekomen. Daarom is de mogelijkheid dat hierdoor schade is geleden niet aannemelijk geworden.
4.29.35.SECC heeft een deel van het liftboek overgelegd van Hotel Galaxy, volgens SECC de rechtsvoorganger van Hotelexploitatiemaatschappij Amsterdam Noord B.V. (106). Daarin is vermeld dat Otis de leverancier van een in 1997 in gebruik genomen lift is. Voorts is daarin op papier met het logo van Otis onder meer vermeld op welke momenten in de inbreukperiode onderhoud heeft plaatsgevonden en zich storingen hebben voorgedaan. Uit dit alles wordt niet duidelijk of in de inbreukperiode door Hotelexploitatiemaatschappij Amsterdam Noord B.V. een overeenkomst is gesloten. De mogelijkheid van schade is niet aannemelijk geworden.
4.29.36.SECC heeft aangevoerd dat Ikea Services B.V. (dagvaarding 547148 / HA ZA 18-309) vanwege concernrelaties mogelijk indirect schade heeft geleden door de afname van producten en diensten door andere entiteiten binnen de groep. Dit is onvoldoende om de mogelijkheid van schade aannemelijk te maken.
4.29.37.SECC heeft wat betreft Ikea Beheer N.V. (dagvaarding 547148 / HA ZA 18-309) een aannemingsovereenkomst transportinstallaties van 5 februari 2008, een aannemingsovereenkomst roltrappen en rolpaden van 29 juni 2006, alsmede vier foto's van liftplaatjes overgelegd waarop twee keer het bouwjaar 2002 en de naam Thyssen Fahrtreppen GmbH is vermeld en twee keer het bouwjaar 2001 en de naam Kone.
Uit de overgelegde foto's is op te maken dat in 2001 en 2002 (een) lift(en) is (zijn) geïnstalleerd. Gebruikelijk is, zoals eerder overwogen, dat de opdracht daartoe door de eigenaar wordt gegeven en dat de kosten (uiteindelijk) ten laste van die eigenaar komen. Gelet op het jaar van installatie is aannemelijk dat de overeenkomst waarbij de opdracht is gegeven is tot stand gekomen in de inbreukperiode. Dat betekent dat aannemelijk is dat Ikea Beheer B.V. mogelijk schade heeft geleden.
Dat geldt niet voor de aannemingsovereenkomsten; deze zijn gesloten ná de inbreukperiode.
4.29.38.SECC heeft een serviceovereenkomst overgelegd die op 5 maart 2002 door V&D warenhuizen B.V. met ThyssenKrupp is gesloten. Nu in de overeenkomst een andere opdrachtgever is vermeld dan V&D B.V. zonder dat is ingegaan op de vraag op welke wijze V&D B.V. hierdoor schade kan hebben geleden, is de mogelijkheid dat V&D B.V. schade heeft geleden niet aannemelijk geworden.