ECLI:NL:RBROT:2021:6670
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bewijs contante betaling en ontbinding koopovereenkomst in verzetprocedure
In deze civiele verzetprocedure staat centraal of gedaagde de achterstallige maandtermijnen van de koopovereenkomst contant aan eiser heeft voldaan. Gedaagde stelde dat hij op verzoek van eiser twee termijnen van in totaal € 3.200,-- contant had betaald, ondersteund door een getuige die verklaarde geld te hebben geleend aan gedaagde. Eiser ontkende elke contante betaling.
De rechtbank weegt het bewijs af en concludeert dat de eigen verklaring van gedaagde onvoldoende is om de contante betaling te bewijzen, temeer daar de getuige slechts bevestigde een lening te hebben verstrekt aan gedaagde, maar niet dat gedaagde het geld aan eiser heeft betaald. Er is geen schriftelijk bewijs van de contante betaling.
Verder stelt de rechtbank vast dat ten minste twee maandtermijnen onbetaald zijn gebleven en dat de koopovereenkomst rechtsgeldig is ontbonden per 2 augustus 2019. Het verstekvonnis wordt grotendeels bekrachtigd, maar de veroordeling tot betaling van een boete van € 8.000,-- wordt vernietigd en vervangen door een lagere boeterente van € 640,-- met wettelijke rente.
In reconventie worden de vorderingen van gedaagde afgewezen en wordt hij veroordeeld in de proceskosten. De rechtbank wijst de verzetprocedure toe en veroordeelt gedaagde in de kosten van het verzet.
Uitkomst: Gedaagde heeft contante betaling niet bewezen; verstekvonnis grotendeels bekrachtigd met vermindering boete tot € 640,-- plus rente.