ECLI:NL:RBROT:2021:6755

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
16 juli 2021
Publicatiedatum
14 juli 2021
Zaaknummer
ROT 21/468
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep parkeerbelasting afgewezen

Opposante heeft beroep ingesteld tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting en dit beroep werd door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet was betaald. Tegen deze beslissing is verzet ingesteld.

De rechtbank beoordeelt in deze verzetprocedure of het zonder zitting afdoen van het beroep terecht was. Opposante voerde betalingsonmacht aan vanwege een uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet, maar kon dit niet met bewijs onderbouwen.

De rechtbank concludeert dat opposante niet voldeed aan de voorwaarden voor betalingsonmacht, aangezien het netto-inkomen hoger was dan de toegestane grens. Het griffierecht bleef onbetaald ondanks herinneringen. Hierdoor was het verzuim niet verschoonbaar en was het beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Het verzet wordt daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van 4 mei 2021 blijft in stand. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep op naheffingsaanslag parkeerbelasting wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 21/468
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juli 2021 als bedoeld in artikel 8:55 van Pro de Algemene wet bestuursrecht op het verzet van

[naam opposante] , te [plaats] , opposante,

tegen de uitspraak van de rechtbank van 4 mei 2021 in het geding tussen opposante en de heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam (hierna: verweerder) over het besluit van 18 januari 2021.

Procesverloop

Opposante heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van 18 januari 2021 tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting.
De rechtbank heeft het beroep op 4 mei 2021 bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet-ontvankelijk verklaard.
Opposante heeft tegen deze uitspraak verzet gedaan.
De rechtbank heeft bepaald dat een (nadere) zitting achterwege wordt gelaten.

Overwegingen

1. In deze verzetprocedure moet de rechtbank de vraag beantwoorden of zij bij de uitspraak van 4 mei 2021 het beroep van opposante terecht zonder zitting heeft afgedaan, omdat zij tot het oordeel kwam dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk was. Dit betekent dat de beoordeling van de rechtbank in deze verzetprocedure beperkt is tot de vraag of terecht uitspraak is gedaan zonder opposante op zitting te horen. Als in verzet argumenten naar voren worden gebracht, die ook nog hadden kunnen worden aangevoerd als wel een zitting zou zijn gehouden voordat op het beroep werd beslist, moet worden beoordeeld of hierdoor twijfel ontstaat over die beslissing. Als dat het geval is, dan is het verzet gegrond en komt de uitspraak waartegen het verzet is gericht te vervallen. Het onderzoek wordt dan voortgezet in de stand waarin het zich bevond.
De uitspraak van 4 mei 2021
2. In de uitspraak waartegen verzet is gedaan is overwogen dat opposante niet in aanmerking kwam voor een beroep op betalingsonmacht. Opposante is vervolgens gewezen op het betalen van het verschuldigde griffierecht en is daarna schriftelijk aangemaand. Naar het oordeel van de rechtbank kon redelijkerwijs worden geoordeeld dat opposante in verzuim is geweest omdat zij het verschuldigde griffierecht niet heeft betaald. Het beroep is om die reden niet-ontvankelijk verklaard.
3. Opposante heeft in verzet aangevoerd dat zij niet in staat is om het griffierecht te betalen omdat zij een uitkering ontvangt op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW).
Het wettelijk kader
4. Uit het bepaalde in artikel 8:41, eerste lid, van de Awb volgt dat door de griffier van de indiener van het beroepschrift griffierecht wordt geheven. Artikel 8:41, zesde lid, van de Awb bepaalt dat het beroep, indien het verschuldigde bedrag van het griffierecht niet of niet tijdig is bijgeschreven of gestort, niet-ontvankelijk wordt verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het beroepschrift in verzuim is geweest.
Beoordeling van het verzet
5. De verzetrechter stelt vast dat het beroep op betalingsonmacht is afgewezen omdat zij bij het instellen van het beroep niet voldeed aan de daarvoor gestelde vereisten die golden ten tijde van het instellen van beroep. Om voor een beroep op betalingsonmacht in aanmerking te komen dient het (gezamenlijke) netto-inkomen niet hoger te zijn dan 90% van een maximale bijstandsuitkering (€953,12). Opossante had netto een hoger inkomen, zoals blijkt uit de specificatie van de Sociale verzekeringsbank (€1016,66). Het beroep op betalingsonmacht is schriftelijk afgewezen en aan opposante is op 27 januari 2021 een nota griffierecht verstuurd. Op 25 februari 2021 is een aangetekende herinnering aan opposante verstuurd omdat uit de administratie is gebleken dat het verschuldigde griffierecht nog niet voldaan was. Opposante heeft het verschuldigde griffierecht van € 49,- niet voldaan.
Wat opposante in verzet heeft aangevoerd leidt niet tot twijfel over de vraag of het verzuim verschoonbaar is. Opposante heeft in verzet niet met (nadere) stukken aannemelijk gemaakt dat zij voldoet aan de voorwaarden voor het toekennen van een beroep op betalingsonmacht. De rechtbank heeft daarom in de uitspraak van 4 mei 2021 terecht geoordeeld dat zij het beroep zonder zitting kon afdoen.
6. Om deze reden is het verzet ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.P.J. Schoonen, rechter, in aanwezigheid van
mr. H. Sabanovic, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 16 juli 2021.
De griffier is buiten staat De rechter is verhinderd te tekenen
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.