AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Toewijzing moratorium en niet-ontvankelijkheid verzoek toelating schuldsaneringsregeling
Verzoeker heeft bij de rechtbank Rotterdam een verzoek ingediend op grond van artikel 287b Faillissementswet voor een voorlopige voorziening om de ontruiming van zijn huurwoning op te schorten. Tevens vroeg hij toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling ex artikel 284 FaillissementswetPro. De rechtbank oordeelt dat er sprake is van een bedreigende situatie vanwege de aangekondigde ontruiming en wijst het moratorium toe voor zes maanden onder de voorwaarde dat de lopende huurtermijnen worden voldaan.
Verweerster stelde dat verzoeker structureel onvoldoende inkomen heeft om de huur te betalen en dat de medebewoonster, hoofdelijk aansprakelijk voor de huurachterstand, niet in de procedure was verschenen. De rechtbank acht echter aannemelijk dat de lopende huurtermijnen kunnen worden voldaan en weegt het belang van verzoeker om in de woning te blijven zwaarder dan het belang van verweerster.
Gezien de verwachting dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject niet snel zal zijn afgerond, verklaart de rechtbank het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling niet-ontvankelijk, met de mogelijkheid voor verzoeker om een nieuw verzoek in te dienen. De ontruiming wordt opgeschort en de huurovereenkomst verlengd voor de duur van zes maanden onder strikte voorwaarden.
Uitkomst: De rechtbank wijst het moratorium toe en schort de ontruiming op, maar verklaart het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling niet-ontvankelijk.
Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
Verzoeker heeft op 24 juni 2021, met een verzoekschrift ex artikel 284 FaillissementswetPro (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 24 juni 2021 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 1 juli 2021.
Per e-mailbericht van 30 juni 2021 heeft verzoeker enkele aanvullende producties aan de rechtbank gestuurd.
Ter zitting van 1 juli 2021 zijn verschenen en gehoord:
verzoeker;
mevrouw mr. E. Kattestaart, werkzaam bij Lex Certa Advocaten;
de heer [naam 2] , werkzaam bij Fimar Bewindvoering (hierna: beschermingsbewindvoerder);
de heer mr. C.L. Verhoef, werkzaam bij Verhoef Vastgoed Advocatuur, namens De Statenkoning C.V., gevestigd te Rotterdam (hierna: verweerster).
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.
2.Het verzoek
Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 4 juni 2021 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen.
Verzoeker heeft in april 2021 een bedrag van vier maal € 1.400,65 (totaal € 5.602,60) overgemaakt aan verweerster ter inloop van de huurachterstand. Tevens heeft verzoeker de huur van mei, juni en juli 2021 voldaan. Ten tijde van de terechtzitting heeft verzoeker een huurachterstand van € 1.207,38. Op dit moment ontvangt verzoeker inkomen uit arbeid via een uitzendbureau. Voorts draagt mevrouw [naam 3] , de partner van verzoeker met wie hij samenwoont, maandelijks een bedrag van € 850,= per maand bij ter voldoening van de vaste lasten.
Ter zitting heeft verzoeker aangegeven dat hij zicht heeft op een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd bij zijn huidige werkgever.
De beschermingsbewindvoerder heeft ter zitting verklaard dat op basis van het budgetplan van verzoeker de lopende huurtermijnen kunnen worden voldaan. Verzoeker zal binnenkort, naar verwachting in augustus 2021, worden aangemeld bij de Kredietbank Rotterdam.
3.Het verweer
Verweerster heeft – kort samengevat – aangedragen dat verzoeker structureel te weinig inkomen genereert om de huur te voldoen. Hiertoe heeft verweerster aangevoerd dat verzoeker op dit moment betaald werk heeft, maar dat dit niet inhoudt dat er sprake is van continuïteit in het inkomen van verzoeker. Voorts heeft verweerster aangevoerd dat mevrouw [naam 3] als medebewoonster van de onderhavige woning niet in de procedure is verschenen, terwijl zij hoofdelijk aansprakelijk is voor betaling van de huurachterstand.
4.De beoordeling
Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 4 juni 2021 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker en een kopie van het exploot van 10 juni 2021 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 29 juni 2021 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 4 juni 2021 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende huurtermijnen kunnen en zullen worden voldaan. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoeker zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.
5.De beslissing
De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 4 juni 2021 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoeker gelegen aan het Statenplein 1A te Rotterdam, voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoeker de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.A. Cnossen, rechter, en in aanwezigheid van mr. K. de Ridder, griffier, in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2021.